Definitie
Zalving (Hebr. מָשַׁח masjiach; Gr. χρίσμα chrisma) verwijst in pneumatologische context naar de werkzame aanwezigheid van de Heilige Geest in de dienst, de verkondiging of het spreken van een persoon, waardoor dat spreken levend en krachtig is voor de hoorders. De zalving is de geestelijke dimensie die het verschil maakt tussen dood letter en levende Geest (2Kor. 3:6). Alle gelovigen in Christus — ‘de Gezalfde’ — delen in dezelfde zalving (1Joh. 2:27); de expressie ervan in spreken en dienst is echter afhankelijk van de persoonlijke gemeenschap met de Geest.
Gebruik in het corpus
George Warnock
Warnock verbindt zalving direct aan de deelname van het Lichaam van Christus aan de zalving van Christus zelf. “‘Christus’ betekent ‘Gezalfde’ en wij delen dezelfde ‘zalving’ (1Joh. 2:27), zijn deelgenoten van dezelfde Geest, en worden daardoor ‘van Zijn vlees en van Zijn beenderen’ (Ef. 5:30).” De wet van de Geest des levens (Rom. 8:2) werkt in de gezalfde generatie van Christus. Zalving is niet individueel maar corporatief: het Lichaam draagt collectief de zalving van zijn Hoofd. [Warnock, Evening and Morning, hfst. 2]
Cees en Anneke Noordzij
Noordzij onderscheidt scherp tussen spreken onder de zalving van de Geest en spreken over de bijbel zonder zalving. Spreken onder zalving is de voorwaarde voor levend en krachtig spreken: “Wat iemand spreekt onder de zalving van de heilige Geest, is ook levend en krachtig voor wie ‘oren’ heeft.” Het alternatief — bijbelverzen opnoemen en schriftgedeelten citeren zonder zalving — “kan nóóit het spreken van het Woord van God vervangen. Zulke woorden zijn niet levend, niet krachtig, dringen niet diep door tot in het hart (Kol. 3:16). Ze blijven hangen in het brein en geven geen waarachtig leven.” Dit onderscheid verbindt Noordzij aan het zwaard van de Geest (Ef. 6:17): het is het gézalfde spreken dat snijdt en leven wekt. [Noordzij, Het Woord Gods en de Schrift, sectie over Ef. 6:17]
Stephen Jones
Jones gebruikt zalving typologisch via de olie-reiniging uit Lev. 14 (de reiniging van de melaatse). De drie wassingen bij de melaatse-reiniging — olie (geest), bloed (ziel) en water (lichaam) — corresponderen met de drie feesttijden: Pascha, Pinksteren en Loofhuttenfeest. De zalving met olie symboliseert de Geest-dimensie van de heiliging, de Pinksterervaring. “Er zijn drie dopen (wassingen en besprenkingen) bij de reiniging van de melaatse. Ze hebben betrekking op olie (geest), bloed (ziel) en water (lichaam).” [Jones, The Laws of the Second Coming, hfst. 10]