Definitie
De gaven van de Geest (charismata; Gr. χαρίσματα; 1Kor. 12) zijn bijzondere vermogens die de Heilige Geest naar Zijn wil uitdeelt aan gelovigen voor de opbouw van het Lichaam van Christus. Klassiek worden onderscheiden: wijsheid, kennis, geloof, genezing, wonderen, profetie, onderscheiding van geesten, tongentaal en uitleg van tongen (1Kor. 12:8-10). Over hun continuering na de apostolische periode (cessationisme vs. continuationisme), hun rangorde ten opzichte van de vrucht van de Geest en hun verhouding tot de inwoning van Christus bestaan in het corpus wezenlijke verschillen.
Gebruik in het corpus
Watchman Nee & Witness Lee
Nee/Lee kennen de gaven een dienende maar gevaarlijke positie toe: zij zijn geschonken voor Gods economie (de inwoning van Christus), maar kunnen worden nagestreefd ten koste van het innerlijk leven. “Veel begaafde personen schenken te veel aandacht aan hun gaven en verwaarlozen, meer of minder, de inwonende Christus. De inwonende Christus is het kenmerk van Gods economie, en alle gaven zijn daarvoor.” Als bewijs dat gaven niet leiden tot geestelijke rijpheid: “De Korinthische gelovigen hadden alle gaven en misten er geen (1Kor. 1:7). Toch, hoewel de Korinthiërs alle gaven hadden, werd hun geestelijke toestand beschreven als vleselijk en onvolwassen (1Kor. 3:1).” Tongen worden niet ontkend maar gerelativeerd: “Hoewel Paulus anderen overtrof in tongen, zou hij toch liever vijf begrijpelijke woorden in de samenkomsten spreken dan tienduizend woorden in tongen (1Kor. 14:18-19).” [Nee/Lee, The Economy of God, hfst. 4]
George Warnock
Warnock positioneert de gaven als tijdelijk en dienstbaar aan de eschatologische rijping van de vrucht. “Al het andere dat behoort tot het gebied van de geestelijke manifestatie moet wijken voor de volheid van de LIEFDE, zoals de eerste stralen van de dageraad wijken voor de opgang van de zon. ‘Wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, zal het onvolkomene afgedaan hebben.‘” De gaven zijn eersteregenfenomenen — zij behoren tot de kiemfase van de Pinksterbedeling. De latterregen brengt niet méér gaven maar de rijpe vrucht van de liefde. [Warnock, Evening and Morning, hfst. 2-3]
E.W. Bullinger
Bullinger benoemt het geestelijk oor als de specifieke gave die de gelovige in staat stelt de dingen van de Geest te verstaan — een gave die kwalitatief boven alle zintuiglijke vermogens staat: “Niemand heeft van nature dat oor dat de dingen van God kan onderscheiden. Het geestelijk oor is de directe gave en aanleg van God. Vandaar dat er geschreven staat: ‘Wie een oor heeft’ — dat wil zeggen: alleen hij die dat goddelijk geplante, door God gegeven oor heeft, kan de dingen van de Geest van God horen.” Het is de Heere die het horend oor geeft (Spr. 20:12) en wekt (Jes. 50:4-5). [Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. I]
Stephen Jones
Jones verbindt de gaven van de Geest aan de Pinksterervaring als onderpand: de charismata zijn de werkzaamheden van het arrabon (de aanbetaling van de Geest). Zij zijn reëel en heilzaam, maar niet de volheid. Het eschatologische einddoel is niet meer gaven maar de volledige inwoning van de Geest ook in het lichaam bij het Loofhuttenfeest. [Jones, The Laws of the Second Coming, hfst. 10]
Cees en Anneke Noordzij
Noordzij verbindt de gave van effectief spreken aan de zalving: spreken onder de zalving van de Heilige Geest is zelf een gave — het is “levend en krachtig voor wie ‘oren’ heeft.” Het geestelijk oor (bij Bullinger ook als gave beschreven) is de ontvangstcapaciteit voor het gezalfde woord. Zonder zalving, zonder geestelijk oor, functioneren de gaven niet. [Noordzij, Het Woord Gods en de Schrift]