incarnatie
Definitie
Incarnatie (Latijn: in carne, “in het vlees”) verwijst naar de menswording van de eeuwige Zoon: de tweede Persoon van de Drie-eenheid nam een menselijke natuur aan en werd geboren als Jezus van Nazareth (Joh. 1:14; Fil. 2:7-8). De klassieke formulering (Concilie van Chalcedon, 451 n.Chr.) stelt dat Christus waarlijk God en waarlijk mens is in twee naturen, onvermengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden.
Op apokatastasis.wiki is de incarnatie een cruciaal christologisch uitgangspunt met sterk uiteenlopende accenten: juridisch-typologisch (Jones: mens-zijn als voorwaarde voor goel-recht), openbaringsmatig (Warnock: menswording onthult Gods ware karakter), kenotiaal-procesmatig (Noordzij: voortgaande zelfontlediging), en participatoir met Chalcedonische spanning (Nee/Lee: “vermenging” van goddelijke en menselijke natuur).
Gebruiksvarianten per auteur
Watchman Nee & Witness Lee (KOL)
Nee/Lee plaatsen incarnatie niet juridisch of forensisch, maar vitaal: incarnatie is de noodzakelijke voorwaarde waardoor Gods leven (zoe) ervaarbaar en inplenbaar in de mens wordt.
Incarnatie als mogelijkheid van God-leven:
Hij moet onze menselijke natuur hebben. Zijn goddelijke leven moet vermengd worden met menselijke natuur opdat het met ons kan verenigd worden, wij die de menselijke natuur bezitten, en ons leven kan zijn. Daarom kwam Hij uit de hemel, werd vlees, en mengde zich met de menselijke natuur.
Dit onderscheidt Nee/Lee van forensisch-juridische aanslagen. Incarnatie is niet louter juridische reconstructie, maar vitale vermenging opdat goddelijk leven kan inworken.
Incarnatie als Gods embodiment onder mensen:
Nee/Lee zien incarnatie als moment waarop God zich bereikbaar en werkzaam maakt:
God werd Christus en wordt ons leven in de menselijke natuur opdat wij Hem kunnen ervaren.
Dit is praktisch revelatorisch. Gods leven kan niet abstract inwerken; het moet zich in menselijke gestalte manifesteren opdat wij het kunnen aanraken en ontvangen.
Incarnatie in Trinitaire schema:
In Nee/Lee’s leer:
- Vader — bron van leven (onzichtbaar)
- Zoon — manifestatie onder menschen (zichtbaar, ervaarbaar)
- Geest — indwoning in gelovige (werkzaam van binnenuit)
Incarnatie is de middelmoment: zonder incarnatie zou Gods leven onbereikt blijven; zonder opstanding zou het niet inplentenbaar zijn.
Jones
Jones legt de nadruk op de juridische noodzakelijkheid van de incarnatie: Christus moest werkelijk mens zijn om als go’el (losser) in aanmerking te komen voor de verlossing van de mensheid, conform de Wet van Mozes:
Wij weten uit het geslachtsregister in het eerste hoofdstuk van Matteüs dat Jezus geboren werd uit de stam Juda en specifiek uit het huis van David. Hij kwam de eerste keer van deze bijzondere afkomst om in aanmerking te komen voor de scepter om over de aarde te regeren.
[Jones, The Laws of the Second Coming, Hfst. 11]
Warnock
Warnock leest de incarnatie als Gods ontologische zelfopenbaring — de menswording onthult wie God wezenlijk is:
Dat is waarom de grote en machtige God van het universum die alles heeft geschapen, niet voor altijd hoog en verheven in de hemelen kon blijven. Hij moest neerdalen en zichzelf tonen zoals Hij werkelijk is: want God de Vader, wonende in zijn eigen Zoon in al zijn volheid, heeft zichzelf werkelijk geopenbaard zoals Hij werkelijk is: zachtmoedig, ootmoedig en meedogend.
[Warnock, The Hyssop that Springeth Out of the Wall, hyssop2.html]
Noordzij
Noordzij beschrijft de incarnatie als begin van een voortgaande kenosis die Jezus’ gehele aardse leven kenmerkt:
Jezus was ‘de eniggeboren Zoon’ (Joh. 3:16), in Wie alle volheid van God lichamelijk woonde (Kol. 2:9). ‘Het Woord werd vlees en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid’ (Joh. 1:14).
[Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, §21]
Was het voor God niet voldoende om mens te worden en ‘gewikkeld te worden in doeken’ van ‘vlees aan dat der zonde gelijk’ (Rom. 8:3)? Nee, ook op aarde zou Jezus Zich verder ontledigen en vernederen.
[Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, §48]