Definitie
Ἁμαρτία (Grieks: ἁμαρτία) is het meest voorkomende Griekse woord voor zonde in het Nieuwe Testament, met 88 geregistreerde vindplaatsen in de Paulusbrieven inclusief Hebreeën. De letterlijke betekenis is “het doel missen” — niet raken wat God als norm stelt. Het omvat zowel de afzonderlijke zondedaad als de heersende macht van de zonde waarvan de mens bevrijding behoeft (Rm. 6:14: “de zonde zal over u geen heerschappij hebben”).
In 1 Joh. 3:4 wordt hamartia gelijkgesteld aan wetteloosheid (ἀνομία): “Ieder die zonde doet, doet ook wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.” Dit vers fungeert in het corpus als hermeneutische sleutel: zonde is niet slechts moreel falen maar juridische overtreding van een bestaande wet.
Gebruik in het corpus
E.W. Bullinger
Bullinger analyseert ἁμαρτία statistisch en stelt vast dat het woord 63 keer in Paulus’ brieven (excl. Hebr.) en 25 keer in Hebreeën voorkomt — samen 88, ofwel 8 × 11. Bij Bullinger heeft dit numerieke gegeven theologische betekenis: 11 staat voor wanorde en gebrek, 8 voor nieuw begin en opstanding. Zonde is de schending van de goddelijke orde; de 8-factor wijst op de overwinning die de nieuwe schepping over de zonde brengt. [Bullinger, Number in Scripture, Deel I, Hfst. II]
Stephen Jones
Jones leest hamartia juridisch via 1 Joh. 3:4: “Zonde is wetteloosheid.” Zonde is voor hem primair een rechtsschuld die voldaan moet worden. De wet van het Jubeljaar garandeert dat die schuld uiteindelijk volledig wordt kwijtgescholden — niet door de wet af te schaffen maar door de straf volledig uit te betalen: “De wet vernietigt de zonde, niet de zondaar.” [Jones, The Restoration of All Things, Hfst. 1; Creation’s Jubilee, Hfst. 7]
George Warnock
Warnock verbindt hamartia aan het type van het zuurdesem (1 Kor. 5:6-8): “De doordringende en verspreidende eigenschappen van zuurdesem maken het tot een treffend type van boosheid en goddeloosheid in een gelovige of in een gemeente.” Zonde verspreidt zich in de gemeente als zuurdesem — stagnatie in de geestelijke groei is haar voedingsbodem. [Warnock, The Feast of Tabernacles, Hfst. 3]
Cees Noordzij
Noordzij benadert hamartia als antropologische toestand: het overheersen van het zielse boven het geestelijke. Zonde is niet louter een daad maar een innerlijke gerichtheid: “In hen overheerst het zielse, dat bevrediging zoekt voor het vlees (Kol. 2:23). De ziel wil hebben. Zij begeert.” [Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, §20]