Definitie
Sterfelijkheid is in standaard theologisch gebruik een neutraal antropologisch gegeven: de eindigheid van het menselijk bestaan. In het corpus van Stephen Jones draagt de term een zwaar hamartologisch gewicht: sterfelijkheid is niet de straf voor individuele zonde maar het directe gevolg van de toegerekende schuld van Adams zonde. Daarmee keert Jones de traditionele augustiniaanse volgorde om — niet een zondige natuur leidt tot sterfelijkheid, maar sterfelijkheid leidt tot individuele zonde.
Gebruik in het corpus
Stephen Jones
Jones maakt sterfelijkheid tot de spil van zijn erfzonde-leer: “Het enige dat is overgedragen is STERFELIJKHEID, ofwel de dood. Wij zijn niet sterfelijk omdat wij zondigen. Wij zondigen omdat wij sterfelijk zijn.” De redenering is juridisch: Adams zonde werd aan allen toegerekend (Rm. 5:12); de straf was de dood ofwel sterfelijkheid (Gen. 2:17); die sterfelijkheid maakt de mens moreel zwak en kwetsbaar, wat op zijn beurt leidt tot individuele zonde. Dit onderscheidt hij scherp van de augustiniaanse leer: “de mens heeft geen zondige natuur geërfd van Adam.” Hij verwerpt ook Hieronymus’ vertaling van eph’ ho in Rm. 5:12: correct is niet “omdat allen zondigen” maar “op welke [dood] allen zonden” — sterfelijkheid is oorzaak, zonde gevolg. [Jones, Creation’s Jubilee, Hfst. 9; The Restoration of All Things, Hfst. 5]
De soteriologische implicatie is vergaand: als sterfelijkheid de grond van alle individuele zonde is, dan is verlossing van de sterfelijkheid de verlossing van de grond zelf. Dit is de basis voor Jones’ universalisme: de imputatie van Adams schuld aan allen schept een verplichting voor God om Christus’ gerechtigheid eveneens aan allen toe te rekenen. Een gedeeltelijke verlossing zou de oorspronkelijke imputatie als een onrecht achterlaten dat nooit volledig is hersteld. [Jones, Creation’s Jubilee, Hfst. 9]