Definitie
Goël (Hebreeuws: גֹּאֵל) is de participiumvorm van ga’al (lossen, verlossen) en duidt op de naaste bloedverwant die het recht én de plicht heeft vervallen bezittingen te lossen, een slaaf uit slavernij vrij te kopen en het nageslacht van een gestorven broeder voort te zetten (cf. Lev. 25; Ruth 4; Deut. 25). Als soteriologische sleutelbegrip verbeeldt het Christus als de Bloedverwant-Verlosser die de mensheid — als zijn eigendom — teruglost uit de slavernij van de zonde.
Gebruik in het corpus
Stephen Jones
Jones werkt het goël-principe in The Restoration of All Things (H7) uit als juridische grondslag van de universele verlossing. Zijn kernargument: als Christus werkelijk de goël van de mensheid is, heeft Hij het recht én de plicht om alle mensen te verlossen. Het goël-recht is niet vrijblijvend — het is een juridisch aanspraakveld dat op wettelijke gronden moet worden geëffectueerd. Jones verbindt dit aan de jubeljaarsstructuur: elke 50 jaar keren alle bezittingen terug naar de oorspronkelijke eigenaar (Lev. 25:28). Zo moet de gehele schepping, als Gods eigendom, uiteindelijk terugkeren. [Jones, The Restoration of All Things, H7]
Herkomst
Het wortelwerkwoord ga’al komt 104 keer voor in het OT. Buiten de juridisch-familiaire context wordt het ook toegepast op God als Verlosser van Israël (Jes. 41:14; 43:14). In het boek Ruth vormt Boaz’ optreden als goël de narratieve centrale illustratie van het principe.