Definitie

Berith (Hebreeuws: בְּרִית) is het centrale OT-woord voor “verbond.” Het duidt op een plechtige bindende overeenkomst — in de context van Gods heilshandelen: een door God eenzijdig gestelde en gegarandeerde belofte die de structuur van de verlossingsgeschiedenis bepaalt. In de soteriologie functioneert berith als het juridisch-relationele kader waarbinnen begrippen als rechtvaardiging, erfenis en verlossing hun betekenis krijgen.

Gebruik in het corpus

E.W. Bullinger

Bullinger koppelt berith aan het getal 14 als het getal van verlossing (2 × 7). Het verbond met Abraham wordt in Genesis 14 keer bevestigd (7 in Gen. 15, 7 in Gen. 17) — een numerieke structuur die voor Bullinger de goddelijke zekerheid van de verbondsbelofte illustreert. Berith is bij hem de rechtsgrondslag waarop gelovigen aanspraak kunnen maken op Gods uitverlossingsdaden. [Bullinger, Number in Scripture, H14-analyse]

Herkomst

De etymologie van berith is omstreden: mogelijke verwantschap met bāra’ (snijden, zoals bij verbondssluiting door het doorklieven van dieren, Gen. 15) of met een Akkadisch leenwoord birītu (keten, band). In het OT is het de standaardterm voor het verbond tussen God en de patriarchen, Mozes, David, en het Nieuwe Verbond bij Jeremia.

Verwante termen