eerstelingen

Definitie

Eerstelingen (Grieks: ἀπαρχή aparchē) verwijzen naar de eerste en best-rijpe oogst die aan God wordt gewijd — in de soteriologie de groep gelovigen die als eersten de eschatologische voltooiing bereiken. Christus is zelf de “eerstelingen uit de doden” (1Kor. 15:20); maar Jones, Warnock en Nee werken uit dat ook de kerk haar eigen “eerstelingen” voortbrengt — een voorhoede van overwinnaars die de volle maturiteit van het heil vóór de rest bereiken. Het onderscheid is bij Nee temporeel, niet kwalitatief: eerstelingen zijn zij wier rijpheid eerder intreedt, niet een hogere categorie gelovigen.

Gebruiksvarianten per auteur

Stephen Jones

Jones identificeert de eerstelingen als het eerste tagma/squadron: de gerstschaar (gerstoogst rijpt eerder dan tarwe en druiven), die de eerste opstanding erft en de Manchild-groep vormt. Zij zijn “uitverkoren” in de zin van uitgeselecteerd als eersten — niet enkel geredden. Ef. 1:4-5 (voor de grondlegging der wereld uitgekozen) verwijst specifiek naar hen:

“De eerstelingen zijn zij die van voor de grondlegging der wereld zijn uitgekozen om het Manchild te zijn.”

(Jones, Creation’s Jubilee, H5)

George Warnock

Warnock spreekt van de overwinnaars die “het beloofde land bezitten” als type van de eerstelingen: zij die de volle werkelijkheid van het Loofhuttenfeest bereiken, zijn de eerstelingen van Gods eschatologische opbrengst. Hij koppelt dit aan Hebr. 4:6 (nog een rust beschikbaar voor Gods volk) en de oproep tot doordringen in de volheid.

Watchman Nee & Witness Lee

Nee ontwikkelt het eerstelingen-begrip via de gelijkenis van de tien maagden (Matt. 25:1-13) en de 144.000 op de berg Sion (Openb. 14:1-5). Cruciaal is zijn temporele lezing: het onderscheid tussen eerstelingen en de overige oogst is uitsluitend een kwestie van tijdstip van rijpheid, niet van intrinsieke kwaliteit:

“Sommige vruchten bereiken rijpheid voor andere, en zo worden zij ‘eerstelingen.‘”

(Sit, Walk, Stand, hfst. 2)

Alle tien maagden zijn bij Nee ware christenen; de vijf dwaze maagden zijn niet verloren maar onvoorbereid. Het onderscheid is eschatologisch-temporeel: de wijzen zijn gereed op het beslissende moment, de dwazen missen het privilege van het eschatologische dienstopening. Nee’s lezing van Matt. 25:12 (“Ik ken u niet”) is uitdrukkelijk niet soteriologisch:

“Er is een privilege van het dienen van Hem in de toekomst dat Zijn kinderen kunnen missen door onvoorbereid te zijn. Het zegt dat de vijf kwamen aan de deur en zeiden: ‘Heer, Heer, open voor ons.’ Welke deur? Zeker niet de deur van de zaligheid.”

(Sit, Walk, Stand, hfst. 2; vgl. Matt. 25:12)

De 144.000 van Openb. 14:1-5 zijn voor Nee de bijbelse bevestiging: zij die “het Lam volgen waarheen Hij ook gaat” en “gekocht zijn uit de mensen als eerstelingen voor God en voor het Lam” zijn de groep die gereed was — het temporele voorrecht van de eerstelingen-oogst, in tegenstelling tot de brede tarweoogst die volgt.

Zie ook