aseïteit
Definitie
Aseïteit (van Latijn a se, “uit zichzelf”) is het theologische begrip voor Gods absolute zelfstandigheid: hij bestaat uit zichzelf en is voor zijn bestaan, natuur en handelen van niets en niemand afhankelijk. Aseïteit is de ontologische grond van alle andere eigenschappen van God — zijn onveranderlijkheid, soevereiniteit en almacht zijn alleen begrijpelijk vanuit het feit dat hij de absolute Eerste Oorzaak is, die buiten het causale netwerk van de schepping staat. In dit corpus is E.W. Bullinger de enige auteur die aseïteit als expliciete categorie uitwerkt.
Gebruiksvariant
E.W. Bullinger
Bullinger verbindt aseïteit aan de symbolische betekenis van het getal één: God als de Eerste heeft geen antecedent en geen equivalent:
“De grote Eerste Oorzaak is onafhankelijk van alles. Allen hebben hem nodig, en hij heeft geen hulp van wie dan ook nodig.”
(Number in Scripture, Part II: ONE)
Gods aseïteit impliceert exclusiviteit — geen tweede eerste is denkbaar:
“‘Eén’ sluit alle verschil uit, want er is geen tweede waarmee het ofwel kan harmoniëren of in conflict kan treden.”
(ibid.)
Bullinger werkt aseïteit uit via de bijbelse formulering “de Eerste en de Laatste”:
“Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser de HEERE der heirscharen: Ik ben de eerste, en ik ben de laatste; en buiten mij is er geen God.” (Jes. 44:6)
(ibid.)
“Vóór mij is er geen God gevormd, en na mij zal er geen zijn. Ik, ik ben de HEERE; en buiten mij is er geen Heiland.” (Jes. 43:10-11)
(ibid.)
“Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste.” (Openb. 1:11,17; 22:13)
(ibid.)
Bullinger formuleert aseïteit als een drievoudig primaat:
“Hij is de eerste in prioriteit van tijd. Hij is de eerste in superioriteit van rang, en hij is de eerste in absolute suprematie.”
(ibid.)
Gods onafhankelijkheid is voor Bullinger zijn heerlijkheid:
“Onafhankelijkheid, in God, is zijn heerlijkheid. Onafhankelijkheid in de mens is zijn zonde, en opstand, en schande.”
(ibid.)