transcendentie
Definitie
Transcendentie verwijst naar Gods aanwezigheid en natuur die de schepping overstijgen: hij is boven en buiten het gecreëerde, onbenaderbaar in zijn absolute Wezen, onnaspeurlijk in zijn wegen. In de theologische traditie van dit corpus functioneert transcendentie niet als eindpunt maar als het probleem dat de heilseconomie moest oplossen: hoe kan de ontoegankelijke God in de mens wonen?
Gebruiksvarianten per auteur
Watchman Nee / Witness Lee
Nee/Lee behandelen transcendentie als de karakterisering van de Vader in zijn absolute onbenaderbaarheid — het probleem dat de Triniteitseconomie oplost:
“God de Vader is de universele bron van alle dingen. Hij is onzichtbaar en onbenaderbaar. Hoe kan God de Vader, die woont in ontoegankelijk licht (1Tim. 6:16), in ons zijn?”
(Lee, The Economy of God, hfst. 1)
“Vroeger was het voor de mens onmogelijk de Vader te naderen. Hij was uitsluitend God en zijn natuur was uitsluitend goddelijk. Er was niets in de Vader om de kloof tussen God en de mens te overbruggen.”
(ibid., hfst. 1)
Bij Nee/Lee is transcendentie het vertrekprobleem: de ontoegankelijke Vader wordt via de Zoon en de Geest bereikbaar voor de gelovige.
George Warnock
Warnock stelt Gods transcendentie als de spanning die de incarnatie opriep: God kon niet voor altijd op afstand blijven:
“Die grote en almachtige God van het heelal, die alle dingen schiep, kon niet voor altijd hoog en verheven in de hemelen blijven… met een reputatie van machtig en krachtig te zijn, maar onbewogen voor de noden van de mensen die hij had geschapen. Hij moest afdalen en laten zien hoe hij werkelijk is.”
(The Hyssop that Springeth Out of the Wall, hyssop2.html)
Transcendentie en immanentie staan bij Warnock niet als tegenstellingen maar als twee aspecten van Gods grootheid: juist zijn transcendentie maakt zijn neerbuigen des te meer betekenisvol.
Stephen Jones
Jones benadrukt de onnaspeurlijkheid van Gods wegen als uitdrukking van zijn transcendentie:
“O, de diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” (Rom. 11:33)
(Secrets of Time, Voorwoord)
Gods transcendentie is bij Jones epistemologisch: zijn wegen in de geschiedenis zijn niet volledig doorzienbaar, maar kunnen via de Schrift en typologische analyse worden benaderd.