immanentie

Definitie

Immanentie beschrijft Gods aanwezigheid ín de schepping, in onderscheid van zijn transcendentie (zijn aanwezigheid bóven de schepping). In de theologische traditie van dit corpus krijgt immanentie een radicale invulling: God woont niet slechts in algemene zin in het universum, maar is als leven aanwezig in de menselijke geest. De lijn loopt van de wolk die Israël begeleidde (Ex. 13:21) via de tempel-als-gebed (Jes. 66:1-2) naar de inwoning van de Heilige Geest in de geest van de gelovige (1Kor. 6:17).

Gebruiksvarianten per auteur

Watchman Nee / Witness Lee

Nee/Lee ontwikkelen de meest radicale immanentieleer van het corpus. God woont niet naast de mens maar ín de menselijke geest als zijn inhoud:

“God heeft ons geschapen om zijn houders te zijn. Wij zijn slechts lege houders, en God is van plan onze enige inhoud te zijn.”

(Lee, The Economy of God, hfst. 5)

“De God die in ons woont, is niet alleen God, maar Jezus Christus. Alles wat Christus is, alles wat hij deed, en alles wat hij verkreeg en bereikte, is opgenomen in deze levengevende Geest. Nu is deze levengevende Geest in ons gekomen en vermengd met onze geest, waardoor wij met hem worden verbonden als één geest (1Kor. 6:17).”

(Basic Elements of Christian Life vol. 1, hfst. 5)

Nee/Lee benadrukken dat God vanuit het centrum van de mens werkt, niet van buitenaf:

“God in Christus als de Heilige Geest verspreidt zichzelf vanuit onze geest naar alle delen van ons wezen. God werkt niet van buitenaf, in inwaartse richting in de mens, maar vanuit de geest van de mens verspreidt hij zichzelf naar buiten om alle inwendige delen van de mens te doordringen en te verzadigen.”

(Basic Elements of Christian Life vol. 3, hfst. 2; vgl. Ef. 3:16-19)

George Warnock

Warnock verbindt immanentie aan Jes. 57:15: God woont in de eeuwigheid én bij de verbrokene. De tempel is niet zijn werkelijke woning:

“Hij zegt ons dat hij ‘woont op de hoge en heilige plaats,’ en vervolgens herinnert hij ons onmiddellijk: ‘Ik woon ook bij hem die van een verbrijzeld en nederig geest is’ (Jes. 57:15).”

(The Hyssop that Springeth Out of the Wall, hyssop1b.html)

“Het ‘huis’ dat Salomo voor hem bouwde was eigenlijk alleen bedoeld als ‘een huis van gebed voor alle volken.’ Het was nooit bedoeld als een woonplaats voor God.”

(ibid.)

Cees en Anneke Noordzij

Noordzij typeert Gods immanentie via de begeleidende wolkkolom:

“De wolk van Gods heerlijkheid ging hen voor van de ene plaats naar de andere (Ex. 13:21-22).”

(Van Pascha tot Loofhutten, sectie “Het Pascha”)

Gods aanwezigheid is bij Noordzij niet statisch-transcendent maar dynamisch-begeleidend: zij gaat mee met wie God volgt.

Stephen Jones

Jones behandelt immanentie indirect via de Hebreeuwse term paniym (Gods gelaat, tegenwoordigheid). Gods aangezicht als aanwezigheid is een constante in zijn behandeling van Godsontmoeting in het Oude Testament, zoals bij de Peniël-typologie (Gen. 32).

Zie ook