almacht

Definitie

Almacht (omnipotentia) is het attribuut dat Gods absolute vermogen aanduidt om zijn wil en plan te voltooien. In de theologische traditie van dit corpus wordt almacht niet uitgelegd als de mogelijkheid om willekeurige daden te verrichten, maar als de absolute garantie dat Gods verlossingsplan zijn bestemming zal bereiken. Almacht en soevereiniteit zijn nauw verwant: almacht verwijst naar de kracht achter het soevereine plan.

Gebruiksvarianten per auteur

Watchman Nee / Witness Lee

Nee/Lee verbinden almacht direct aan de zekerheid van verlossing. Gods absolute vermogen garandeert dat de gelovige in zijn greep blijft:

“Jezus zei: ‘Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan tot in eeuwigheid; en niemand zal ze uit mijn hand rukken. Mijn Vader… is groter dan allen, en niemand kan ze uit de hand des Vaders rukken’ (Joh. 10:28-29). De hand van de Vader en de hand van de Heer Jezus zijn twee sterke handen die ons vasthouden.”

(Basic Elements of Christian Life vol. 1, hfst. 2)

Gods almacht is bij Nee/Lee pastoraal gemotiveerd: niemand is sterk genoeg om de gelovige los te rukken uit Gods dubbele greep.

Stephen Jones

Jones onderscheidt Gods almacht (dunamis, de uiteindelijke kracht) van menselijke autoriteit (exousia):

“Wij moeten erkennen dat de soevereiniteit, de uiteindelijke dunamis, toebehoort aan God in de hemel, terwijl de autoriteit, exousia, toebehoort aan de mens hier op aarde. Beide zijn werkzaam; beide zijn werkelijk; maar zij zijn werkelijkheden van een ander plan van bestaan.”

(Creation’s Jubilee, hfst. 11)

Gods almacht is bij Jones de garantie dat zijn plan — ook al wordt zijn verlangen (thelema) tijdelijk weerstaan — uiteindelijk zijn bestemming bereikt.

E.W. Bullinger

Bullinger beschrijft God als de grote en oneindige Schepper wiens werken de uitdrukking zijn van zijn almacht:

“Er kunnen noch werken noch woorden zijn zonder getal. Wij kunnen begrijpen hoe de mens kan handelen en spreken zonder ontwerp of betekenis, maar wij kunnen ons niet voorstellen dat de grote en oneindige Schepper en Verlosser ofwel werkt of spreekt zonder dat zowel zijn woorden als zijn werken in elk bijzonder opzicht absoluut volmaakt zijn.”

(Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I)

“Omdat hij volmaakt is, moeten ook zijn werken en zijn woorden volmaakt zijn.”

(ibid.)

Zie ook