Definitie
Toledoth (Hebreeuws: תּוֹלְדוֹת) betekent “geslachten”, “nakomelingschap” of “geschiedenis van het voortbrengen.” Het woord dient als structurele formule in Genesis: “Dit zijn de toledoth van…” (Gen. 2:4; 5:1; 6:9; etc.) en markeert telkens een nieuwe sectie van het boek. Er zijn elf vermeldingen die betrekking hebben op Adams nageslacht ná de val, plus één pre-val vermelding (Gen. 2:4: de schepping zelf) en één eschatologische vermelding (Ruth 4:18: de stamboom naar David).
De hamartologische betekenis van toledoth is door Bullinger gevonden in de Hebreeuwse spellingsvarianten: de elf na-de-val vermeldingen zijn defectief gespeld (met weglating van de waw), terwijl de pre-val schepping en de messiaanse stamboom in plene (volledige) spelling staan. Dit codering maakt de val en haar gevolgen als een textuur zichtbaar die door de gehele Schrift loopt.
Gebruik in het corpus
E.W. Bullinger
Bullinger analyseert de defectieve spelling van toledoth in Gen. 5:1 e.v. als een tekstueel spoor van de val: “Aldus zijn de elf die betrekking hebben op Adam en zijn nageslacht met tekortkoming gestempeld: terwijl de eerste, die betrekking heeft op de hemelen en de aarde, spreekt van de volmaaktheid waarin zij geschapen werden; en de laatste, die betrekking heeft op Parez (Ruth 4:18), de eerste vermelding van de naam van David bevat en spreekt van de Volmaakte — Davids Zoon en Davids Heer, die volmaaktheid zal herstellen voor Zijn volk, zowel als voor de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde.” Zo bevat de grammatica van de Hebreeuwse tekst zelf een theologische arc: van de val tot het eschatologisch herstel. [Bullinger, Number in Scripture, Deel I, Hfst. II]