Zeugma
Ongelijk juk
Zeugma is de figuur waarin één werkwoord wordt “gejukt” aan twee onderwerpen of objecten waar grammaticaal twee werkwoorden zouden horen. Het tweede werkwoord wordt weggelaten, en het eerste werkwoord moet de last voor beide dragen — soms passend, soms gewrongen. Bullinger plaatst Zeugma onder de figuren van weglating, maar hij onderscheidt haar nadrukkelijk van gewone Ellipsis: bij Ellipsis vult de lezer een gelijksoortig woord in, bij Zeugma past het bestaande werkwoord juist niet keurig op het tweede object — en dáár ligt de nadruk. De grammaticale wet wordt opzettelijk geschonden, opdat de aandacht valt op de keuze van het wel-uitgesproken werkwoord.
Etymologie
Grieks ζεῦγμα (zeugma), “juk”, afgeleid van ζεύγνυμι (zeugnumi), “samenjuk”, “verbinden”. De figuur is genoemd naar het beeld van twee dieren onder één juk waarvan slechts één daadwerkelijk past. De Grieken onderscheidden vier sub-vormen naar de positie van het ene werkwoord ten opzichte van de twee objecten; de Romeinen gaven elke vorm een Latijnse naam: injunctum, conjunctum, adjunctum.
Definitie
Bullinger onderscheidt vier sub-typen. Protozeugma (vroeg-juk) plaatst het werkwoord aan het begin; Mesozeugma (midden-juk) plaatst het in het midden; Hypozeugma (eind-juk) plaatst het aan het einde; Synezeugmenon (samen-gejukt) verbindt verschillende delen via één enkel gedeeld werkwoord. In alle gevallen weigert de schrijver de tweede werking expliciet te benoemen, opdat de lezer zelf het ontbrekende invult — én tegelijk inziet welk werkwoord de schrijver wél heeft gekozen.
Bijbelvoorbeelden
1. Protozeugma — werkwoord aan het begin (Latijn: injunctum):
- Gen. 4:20 — “Adah baarde Jabal: hij was de vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden”. Het werkwoord “bewonen” staat vóór “tenten” en wordt ook over “vee” geworpen, hoewel het eigenlijk alleen op “tenten” past. Een passender werkwoord voor “vee” zou “bezitten” zijn. De figuur dwingt ons de aandacht te leggen op het feit dat Jabal een nomade was — een rondzwerver — eerder dan op zijn herder-zijn.
- Ex. 3:16 — “Ik heb zekerlijk u bezocht, en hetgeen u in Egypte aangedaan wordt”. Niet alleen heeft Jehova gezien wat Israël leed, maar Hij heeft hen ook bezocht — d.w.z. zich over hen ontfermd op grond van het verbond met de vaderen.
- Deut. 4:12 — “De HEERE sprak tot u uit het midden des vuurs: gij hoordet de stem der woorden, maar gij zaagt geen gelijkenis, alleen een stem”. De nadruk valt op het feit dat geen gelijkenis werd gezien — dáármee wordt afgodendienst veroordeeld, want “afgod” betekent letterlijk “iets dat gezien wordt”.
- 2 Kon. 11:12 — “Hij voerde des konings zoon uit, en zette hem de kroon op, en de getuigenis”. Het werkwoord “opzetten” past op de kroon maar niet op de getuigenis; de figuur wijst onze aandacht naar het belang van de “getuigenis” zelf (zie Deut. 17:19).
- Jes. 2:3 — “Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs”. Aangevuld: “[en laat ons binnentreden in] het huis van den God Jakobs”.
- Luc. 24:27 — “En begonnen zijnde van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was”. Het werkwoord “beginnen” past alleen op Mozes — niet op “alle profeten”. De figuur wijst de aandacht niet op de daad maar op de Schriften zélf als onderwerp van de uitleg van de Verrezen Heer.
- 1 Kor. 3:2 — “Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze”. Het Griekse werkwoord ποτίζω betekent “drinken geven”, passend bij “melk” maar niet bij “vaste spijze”. De nadruk ligt niet op het voeden maar op het verschil tussen “melk” en “spijze”.
- 1 Kor. 7:10 — “Doch den getrouwden gebiede ik, niet ik, maar de Heere”. Eén werkwoord verbonden met twee subjecten — bevestigend met “de Heere”, ontkennend met “de apostel”.
- 1 Tim. 4:3 — “Verbiedende te trouwen, en gebiedende te onthouden van spijzen”. De figuur benadrukt dat het kenmerk van de eindtijd niet het verbieden of gebieden zelf is, maar de coelibaat en de onthouding.
2. Mesozeugma — werkwoord in het midden (Latijn: conjunctum):
- Mark. 13:26 — “En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in de wolken met grote kracht en heerlijkheid”. In het Grieks staat het bijvoeglijk naamwoord “groot” tussen de twee zelfstandige naamwoorden: “kracht, groot, en heerlijkheid”. Beide worden door “groot” gemodificeerd — kracht zal groot zijn, heerlijkheid zal groot zijn. De figuur versterkt beide effectiever dan een herhaling vermocht had.
- Mark. 5:40-42 — “De vader van het kind, en de moeder” (vs. 40); “En het dochtertje stond op, en wandelde” (vs. 42).
- Luc. 1:64 — “En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong; en hij sprak, God lovende”. Niet de daad van het openen en losmaken trekt de aandacht, maar het feit dat hij na maanden van afgedwongen zwijgen God prees met zijn mond én zijn tong.
3. Hypozeugma — werkwoord aan het einde (Latijn: adjunctum):
- Hand. 4:27-28 — “…om te doen al wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald had te geschieden”. Het werkwoord “bepaald” hoort eigenlijk alleen bij “raad”, niet bij “hand”; de figuur leert ons dat hoewel de macht van Gods hand sneller voelbaar werd dan Zijn raad, dit alleen geschiedde door diezelfde voorbestemde raad en voorkennis (vgl. 2:23 en 3:18).
4. Synezeugmenon — samen-gejukt (Latijn: adjunctum):
- Bijbelvoorbeelden in Bullinger pp. 135-136 (verwerk later voor volledigheid).
Verwante stijlfiguren
- ellipsis — verwante figuur waarvan Zeugma onderscheidt: bij Ellipsis vult de lezer een gelijksoortig werkwoord in; bij Zeugma past het ene werkwoord juist niet keurig
- syllepsis — zie Ex. 3:16 (één werkwoord met twee betekenissen)
- paronomasia — zie 1 Tim. 4:3 (omgangsfiguur die het ontbrekende werkwoord aanvult)
- pleonasm — zie 1 Kor. 3:2 (waarschuwing voor het tegenovergestelde effect)
Bron
E.W. Bullinger, Figures of Speech Used in the Bible (1898), pp. 131-136.