Pleonasm
Overtolligheid
Pleonasm is de figuur waarin meer woorden worden gebruikt dan de grammatica vereist. Wat in de zin schijnbaar overtollig is, is door de Heilige Geest niet werkeloos toegevoegd: het dient om de zaak vollediger te schilderen, om nadruk te leggen, om een gevoel te versterken, of om wat reeds gezegd is door herhaling in andere — soms tegengestelde — bewoordingen te onderstrepen. De ogenschijnlijke “overdaad” is in werkelijkheid noodzakelijk om de zin volledig en volmaakt te maken.
Etymologie
Grieks πλεονασμός (pleonasmós), van πλεονάζειν (pleonazein, “meer dan genoeg zijn”) — uit πλέον (pléon) of πλεῖον (pleíon, “meer”) en πλέος (pleos, “vol”). Hetzelfde Griekse stamwoord vinden we terug in onze Nederlandse leenwoorden compleet, plenitude en repletie. De figuur draagt geen gangbare Latijnse naam; Bullinger zelf gebruikt de Engelse aanduiding Redundancy als bijnaam.
Definitie
Pleonasm treedt op wanneer een zin grammaticaal compleet zou zijn zonder bepaalde woorden — maar door deze toevoeging wordt de zin volkomener of nadrukkelijker. Bullinger ordent de figuur in twee hoofdvormen:
- I. Pleonasm in woorden — een afzonderlijk woord lijkt overtollig: hetzij een Hebreeuws-idiomatisch sleutelwoord (faces, mouth, sons, name, hand, midst, heart, word, voice, days, en het kwam te geschieden), hetzij een ander pleonastisch substantief.
- II. Pleonasm in zinnen — een hele zin wordt herhaald in andere bewoordingen, hetzij affirmatief (de gedachte tweemaal positief gezegd; nauw verwant aan Synonymia), hetzij negatief (eerst positief, dan negatief — of omgekeerd — gesteld om de oorspronkelijke uitspraak te onderstrepen).
Wanneer het ogenschijnlijk overtollige zelfstandig naamwoord functioneert als bijvoeglijk naamwoord, is de figuur géén Pleonasm maar Enallage. Wanneer hetzelfde naamwoord door één vertegenwoordiger van een breder geheel wordt vervangen, is de figuur Synecdoche. Pleonasm bewaart de rondheid van de uitdrukking.
Bijbelvoorbeelden
I.1 Hebreeuws-idiomatisch — aangezicht (פָּנִים, pahneem):
- Gen. 1:2 — “En de duisternis was op het aangezicht des afgronds”: i.e. op de afgrond. Door de pleonastische toevoeging wordt de uitdrukking levendiger.
- Lev. 23:40 — “En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN uws Gods”: i.e. in Zijn tegenwoordigheid.
- Luk. 21:35 — “Want gelijk een strik zal hij komen over allen, die op het aangezicht der ganse aarde gezeten zijn”: het pleonastische aangezicht benadrukt het universele karakter van de Grote Verdrukking.
I.1 Hebreeuws-idiomatisch — naam (שֵׁם, shem):
- Ps. 113:1 — “Looft den naam des HEEREN”: i.e. looft Jehova Zelf, met meer nadruk dan wanneer eenvoudig “looft den HEERE” stond.
- Matt. 6:9; Luk. 11:2 — “Uw naam worde geheiligd”: i.e. “Uw heilige majesteit, Uzelf alleen, worde aangebeden.”
- Rom. 10:13 — “Want een iegelijk, die den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal zalig worden”: niet wie de naam uitspreekt, maar wie God in Christus daadwerkelijk aanbidt.
I.1 Hebreeuws-idiomatisch — zonen (בָּנִים, bahneem):
- Matt. 16:13 — “De Zoon des mensen”: een nadrukkelijk dispensationele titel van Christus, met de volle gewichtigheid van Hem als de beloofde Mens, het zaad der vrouw, de aangewezen Rechter (Hand. 17:31).
- Ps. 127:4-5 — “Kinderen der jeugd”: i.e. jonge kinderen.
I.1 Hebreeuws-idiomatisch — hand (יָד, yad):
- Ex. 4:13 — “O HEERE! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden”: door eender welke hand behalve de mijne.
- 1 Kon. 8:53 — “Door de hand van Mozes Uwen knecht”: Jehova was de spreker, Mozes het werktuig.
I.2 Andere woorden:
- Deut. 33:19 — “Verborgen schatten in het zand”. Letterlijk: “verborgen-zaken-verborgen van het zand” — de verborgen schatten der aarde tegenover die der zee.
- Rom. 1:23 — “In de gelijkenis van een beeld”. Letterlijk “unto a likeness of an image” — de pleonasme onderstreept hoe diep de heerlijkheid van de onverderfelijke God werd ingeruild voor een beeld van een verderfelijken mens.
- 2 Kor. 5:1 — “Het aardse huis dezes tabernakels” — Pleonasm benadrukt het sterfelijke lichaam tegenover het hemelse.
- 1 Thess. 2:13 — “Toen gij van ons het Woord der prediking Gods ontvangen hebt”. Letterlijk: “woord van het horen” (λόγος ἀκοῆς): wat zij hoorden was het Woord van God.
- Op. 16:19 — “De wijn des toorns van Zijn gramschap”. Grieks θυμὸς ὀργῆς (thumos orgēs): de twee synoniemen samen — orgē als de duurzame toorn, thumos als de plotselinge ontvlamming — schilderen de “felheid van Zijn toorn”.
II.1 Pleonasm in zinnen — affirmatief:
- Joh. 1:22 — “Wie zijt gij? […] wat zegt gij van uzelven?” Tweemaal hetzelfde gevraagd, opdat de aandacht volledig op Johannes de Doper wordt gericht.
- Joh. 5:24 — “Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.” Het eeuwige leven driemaal in andere bewoordingen omschreven.
- Hand. 13:45 — “De Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld; en wedersprakken, hetgeen van Paulus gezegd werd, tegensprekende en lasterende.” Tegensprekend en lasterend — pleonastische verzwaring van de tegenstand.
II.2 Pleonasm in zinnen — negatief (positief + negatief, of omgekeerd):
- Gen. 40:23 — “Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.” De negatieve zijde verzwaart het verwijt: naar de manier van mensen.
- Deut. 28:13 — “En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn”.
- 2 Kon. 20:1 — “Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven”: i.e. gij zult zekerlijk sterven.
- Jes. 31:3 — “De Egyptenaars nu zijn mensen, en geen God; en hun paarden zijn vlees, en geen geest”: opdat het volk zou zien hoe gemakkelijk Jehova hen kon vernietigen.
- Jes. 45:22 — “Want Ik ben God, en niemand meer”: er is geen ander die zaligen kan zoals Hij.
- Ezech. 33:15 — “Hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven” (vgl. Asyndeton).
- Hos. 11:9 — “Want Ik ben God, en geen mens”.
- Joh. 1:3 — “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is”.
- Joh. 1:20 — “En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet”.
- Joh. 3:15 — “Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”.
- 1 Joh. 1:5 — “God is een Licht, en gans geen duisternis is in Hem”.
- 1 Joh. 1:8 — “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet”.
Verwante stijlfiguren
- synonymia — Wave B; affirmatieve Pleonasm in zinnen is nauwelijks te onderscheiden van Synonymia (vgl. Ps. 29:1-2)
- asyndeton — Bullinger verwijst expliciet bij Ezech. 33:15-16 naar Asyndeton voor dezelfde passage
- zeugma — bij 1 Kor. 3:2 en Eféz. 4:23 werken Pleonasm en Zeugma samen
- synecdoche — sommige Pleonasmen vallen onder Synecdoche (bv. Ps. 7:3, “in mijn handen” voor “in mij”)
- idiom — Wave C; veel Pleonasmen behoren tot het Hebreeuwse idiom
Bron
E.W. Bullinger, Figures of Speech Used in the Bible (1898), pp. 405-422.