Polyptoton
Herhaalde woordvorm
Polyptoton is een stijlfiguur waarbij eenzelfde woord of woordwortel tweemaal (of vaker) in korte opeenvolging verschijnt in een andere grammaticale vorm: als werkwoord én als verwant zelfstandig naamwoord, als twee naamvallen van hetzelfde substantief, of als infinitief naast een persoonsvorm. Bullinger rangschikt de figuur onder de figuren van toevoeging omdat de toegevoegde verwante woordvorm de nadruk op de uitspraak vergroot — niet door herhaling van identieke woorden, maar door herhaling van dezelfde stam in een gewijzigde buigingsvorm.
Etymologie
Grieks πολύπτωτον (polyptōton), samengesteld uit πολύς (“veel”) en πτῶσις (“val”, “naamval”). De naam verwijst naar de variatie in grammaticale casus of verbuiging van één en dezelfde woordstam. Het Latijns equivalent is figura etymologica — de “etymologische figuur” die de verwantschap van twee vormen in één constructie zichtbaar maakt. Bullinger noemt de figuur in het Engels POLYPTOTON; or, Many Inflections.
Definitie
De figuur werkt doordat de lezer of hoorder dezelfde woordstam tweemaal ontmoet — maar in een andere grammaticale gedaante. Die herhaling benadrukt de onvermijdelijkheid of absolute zekerheid van een daad of toestand: “stervende zult gij sterven” is finaler dan “gij zult sterven”. Bullinger onderscheidt twee hoofdvormen: (1) de Hebreeuwse infinitivus absolutus gecombineerd met een persoonsvorm van hetzelfde werkwoord — de meest frequente bijbelse verschijningsvorm — en (2) de combinatie van een werkwoord met een verwant zelfstandig naamwoord als cognate accusatief (Grieks en Latijn). In beide gevallen is intensivering het hoofdeffect: de herhaling van de stam maakt de uitspraak absoluut.
Bijbelvoorbeelden
Hebreeuws: infinitivus absolutus (werkwoordsstam × twee vormen):
- Gen. 2:17 — “ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven” (מוֹת תָּמוּת, letterlijk: “stervende zult gij sterven”). De absolute zekerheid van de dood ligt in de verdubbelde stam, niet slechts in het werkwoord. Geen onzekerheid, geen ontsnapping — polyptoton sluit elke uitweg.
- Gen. 37:8 — “Zult gij ook zekerlijk over ons regeren?” (מָלֹךְ תִּמְלֹךְ, “regnerende zult gij regeren”). De broeders herkennen in de intensivering de bevestiging van Jozefs droom — die absolute formulering werkt verontrustend.
- Ex. 21:5 — “Maar als de knecht duidelijk zal zeggen” (אָמֹר יֹאמַר, “zeggende zal hij zeggen”) — de vrijwillige keuze van de dienaar wordt door polyptoton ondubbelzinnig uitgesproken.
- Num. 22:17 — “Ik zal u zekerlijk zeer eren” (כַּבֵּד אֲכַבֶּדְךָ, “eerend zal ik u eren”) — Balaks belofte aan Bileam, beklemtoond door de verdubbelde stam.
- Hag. 1:6 — “Gij hebt veel gezaaid en weinig ingebracht” (Hag. 1:6); de terugkerende infinitivus absolutus structureert de hele aanklacht (vgl. ook Hag. 1:9).
Grieks: werkwoord + cognate accusatief (werkwoord + verwant zelfstandig naamwoord):
- Ef. 4:8 (aanhalend Ps. 68:19) — “als Hij is opgevaren in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen” (ᾐχμαλώτευσεν αἰχμαλωσίαν, letterlijk: “hij leidde gevangenheid gevangen”). Het zelfstandig naamwoord (αἰχμαλωσία) en het werkwoord (αἰχμαλωτεύω) delen de stam αἰχμ-: Christus’ triomf over de geestelijke machten wordt uitgedrukt als een absolute, totale gevangenneming. Nee bespreekt dit vers in de context van Christus’ kosmische overwinning die de gelovige als basis dient voor de geestelijke strijd.
- Hand. 4:17 — “laat ons hen dreigend dreigen” (ἀπειλῇ ἀπειλησώμεθα, “met een dreiging laten wij dreigen”) — het Sanhedrin beraadslaagt over de apostelen; het cognate naamwoord maakt de dreigingsintentie absoluut.
- Hand. 5:28 — “Hebben wij u niet ernstiglijk geboden?” (παραγγελίᾳ παρηγγείλαμεν, “met een gebod hebben wij geboden”) — parallelle constructie in hetzelfde luik van Handelingen, waarmee het gezag van het Sanhedrin als absoluut wordt gepresenteerd.
- Joh. 3:29 — “verblijdt zich met blijdschap” (χαρᾷ χαίρει, “in vreugde verblijdt hij zich”) — de vreugde van de vriend des bruidegoms is absoluut; één stam drukt haar totaliteit uit.
- Jak. 5:17 — “bad ernstiglijk” (προσευχῇ προσηύξατο, “in gebed bad hij”) — Elia’s intens gebed, cognate accusatief, gevolgd door de bevestiging dat zijn gebed werkte.
Citaat-herhaling: LXX-profetie aangehaald in het NT:
- Matt. 13:14 (aanhalend Jes. 6:9) — “Met het gehoor zult gij horen, en zult het geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en zult het geenszins bemerken” (ἀκοῇ ἀκούσετε … βλέποντες βλέψετε). Twee cognate constructies naast elkaar — het verstockingsoordeel krijgt daardoor een dubbele absolute kracht.
- Hebr. 6:14 — “Zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen” (εὐλογῶν εὐλογήσω σε καὶ πληθύνων πληθυνῶ σε) — citaat van Gods eed aan Abraham uit Gen. 22:17, dubbel polyptoton.
Verwante stijlfiguren
- paronomasia — klankverwante maar niet stam-identieke herhaling; polyptoton herhaalt dezelfde wortel, paronomasia speelt met klankgelijkenis bij verschillende wortels
- epizeuxis — onmiddellijke herhaling van hetzelfde woord in identieke vorm; polyptoton varieert juist de buigingsvorm van de stam
- anaphora — herhaling van een identiek beginwoord in opeenvolgende zinnen; polyptoton herhaalt een wortel, anaphora herhaalt een onveranderd woord
Bron
E.W. Bullinger, Figures of Speech Used in the Bible (1898), pp. 267-285.