Salomo

Typologische behandeling in het corpus

Salomo, de zoon van David die na Absaloms opstand de vrede herstelde en het koninkrijk tot zijn hoogtepunt bracht, wordt door Jones aangewezen als type van Christus als de ware Vredevorst. Noordzij verbindt Salomo’s tempelinhuldiging — de vervulling van de tempel met Gods heerlijkheid tijdens het Loofhuttenfeest (1Kon. 8) — aan de eschatologische uitgieting van de heerlijkheid over Gods geestelijke huis.

Bijbelse verankering

ReferentieContext
2Sam. 12:24-25Geboorte van Salomo — God noemde hem Jedidja (“beminde Gods”) via Natan
1Kon. 1:28-40Salomo gezalfd als koning na de Absalom-crisis; David bevestigt hem
1Kon. 4:20-25Salomos vrederijk: Israël woonde veilig “ieder onder zijn wijnstok en vijgeboom”
1Kon. 8:2, 10-11Tempelinhuldiging in de zevende maand (Loofhuttenfeest); heerlijkheid van de Heer vervult de tempel
Lev. 23:39De achtste dag na het Loofhuttenfeest — extra sabbat, beeld van nieuwe schepping
Jes. 9:5Profetie: “Zijn naam zal heten Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst”
Matt. 12:42Jezus: “Hier is meer dan Salomo”

Typologische duiding per auteur

Stephen E. Jones

In The Struggle for the Birthright plaatst Jones Salomo in contrast met Absalom: beide zijn zonen van David en dragen namen die “vrede” betekenen, maar hun aard is tegengesteld:

“Er zijn twee vredevorsten in het profetische verhaal van David. Absalom was de eerste. Zijn naam is Absalom, ‘vader van vrede.’ De tweede is Salomo, wiens naam eveneens ‘vrede’ betekent. Beiden waren zonen van David; beiden waren dus prinsen. Maar Absalom was een prins van geweld die hypocritisch ‘vader van vrede’ werd genoemd. Salomo daarentegen vestigde echte vrede in Israël en was in die zin een type van Christus, de ware ‘Vredevorst.‘”1

Voor Jones is deze tweedeling profetisch gestructureerd: de twee “prinsen van vrede” stellen twee fasen van de messiaanse geschiedenis voor. Absalom typeert de valse messiaanse aanspraken en de verwerpingsfase — de fase waarin Jezus werd gekruisigd door leiders die zijn naam kenden maar zijn troon opeisten. Salomo typeert de herstelsfase: de vestiging van Christus’ ware vrederijk nadat de opstand definitief is gebroken.

Salomos naam — shalom — anticipeert de volheid van de messiaanse vrede (Jes. 9:5): de Vredevorst wiens heerschappij niet op geweld maar op Gods recht berust. Jones verbindt dit aan zijn bredere hersteltheologie: het Davidische koningschap wordt in twee fasen voltooid — eerst de verwerping (Absalom-fase: Jezus gekruisigd door hen die zijn troon opeisten), daarna de vestiging van de ware vrede (Salomo-fase: het eschatologische Koninkrijk gevestigd op gerechtigheid). De gehele Davids-narratief is daarmee een profetische kaleidoscoop van de messianologie, waarbij Salomo’s rustige, vreedzame regeringsperiode vooruitwijst naar het vrederijk van de Grotere Davidszoon.1

George Warnock

In Crowned With Oil (ch. 7) plaatst Warnock Salomo in de typologische lijn van David en de Melchizedek-ordening. Salomo’s vrede-naam anticipeert de vrede van Christus’ koninkrijk, maar de echte vervulling is Christus als Priester-Koning op de troon:

“Hij is de Man wiens naam de Tak is (Zech. 6:12). Hij is de Here Jezus Zelf. Maar Hij is Een die ‘opgroeit’ uit Zijn plaats. Hij is een ‘Wortel uit een droge grond’ (Jes. 53:2). Hij groeit — en wordt een Wijnstok.”2

Warnock verbindt Salomo’s vrede met de Melchizedek-ordening die David voorafschaduwde met zijn nieuwe tabernakel (1Kron. 15:27). Waar Salomo’s tempel een aards vredebeeld was, is Christus’ hemelse bediening de “meer uitnemende bediening” (Hebr. 8:6) die vrede brengt door een onvernietigbaar leven:

“Daarom, toen Hij de troon van David in de hemelen besteeg, verklaarde Petrus: ‘Daarom, omdat Hij aan de rechterhand Gods zit, heeft Hij de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen en heeft Hij dit uitgestort, wat u nu ziet en hoort’ (Hand. 2:33).”3

Salomo’s vrede-naam wordt daarmee antitypisch ingevuld door Christus die de troon van David bekleedt en de Heilige Geest uitstort — de eschatologische vrede die niet opgewonden wordt door aards tempelbouw maar door hemelse priesterlijke bediening.

C. en A. Noordzij

In Het Loofhuttenfeest duidt Noordzij Salomo’s tempelinhuldiging als typologisch beeld van de heerlijkheid die God op het ware Loofhuttenfeest over Zijn geestelijke huis zal uitgieten:

“Een beeld daarvan vinden we in 1Kon. 8. Toen Salomo de tempelbouw klaar had, werd de ark naar binnen gebracht en ‘toen de priesters naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de Heer, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen: de heerlijkheid van de Heer had de tempel vervuld’ (vers 10 en 11). Dit alles vond plaats op het feest in de maand Ethanim (=de zevende, de maand van het loofhuttenfeest, vers 2). Zo zal God Zijn ‘huis’, dat niet met handen is gemaakt, vervullen met Zijn heerlijkheid op het èchte loofhuttenfeest.”4

Salomo’s tempelwijding — plaatsvindend tijdens de zevende maand, het Loofhuttenfeest — is voor Noordzij een heilshistorisch voorteken van ongekende intensiteit. De ark vindt haar rustplaats, de Sjechina-wolk vult het gebouw, de priesters kunnen niet meer staan voor de overdonderende tegenwoordigheid Gods. Dit zijn niet drie afzonderlijke feiten maar één samengestelde type: de vereniging van Gods aanwezigheid, zijn heerlijkheid en zijn huis is het ene grote antitypische gegeven waarnaar dit historische moment wijst. Christus — “meer dan Salomo” (Matt. 12:42) — vervult Gods geestelijke huis met een heerlijkheid die de aardse tempel definitief overtreft. Het tempel-type is in Noordzijs uitleg daarmee meer dan een architecturaal beeld: het is een theofanie-type, een model van Gods inwoning in zijn volk op het niveau van de volle eschatologische heerlijkheid. De maand Ethanim is geen toevallig historisch detail maar een providentiële kalendermarkering die God koos om de heerlijkheidsinhuldiging te verankeren aan het feest van de eindtijdse voltooiing.

Noordzij verbindt de tempelinhuldiging verder met de achtste dag (Lev. 23:39), de extra sabbat na de zeven feestdagen van het Loofhuttenfeest:

“Het getal acht verwijst in de bijbel naar ‘nieuw leven’, het leven in Christus. Ongetwijfeld duidt deze achtste dag op het feit, dat Gods doel met de mens bereikt is: er is een ‘nieuwe dag’ begonnen, een ‘sabbat’, een nieuwe periode van ongekende rust, de ‘dag des Heren’.”4

De achtste dag sluit het typologische schema af dat bij Salomo’s tempelbouw begint, maar het “afsluiten” is hier geen eindiging maar een overschrijding. Na de voltooide feestcyclus van zeven dagen breekt het achtvoudige aan — het getal van de nieuwe schepping. In Noordzijs getallensymboliek is acht de transcendentie van de zeven-cyclus van de voleindigd-wordende schepping: besnijdenis op de achtste dag (Gen. 17:12), opstanding op de eerste/achtste dag, acht zielen in de ark (1Pet. 3:20). De dag des Heren die Christus als de Grotere Salomo inaugureert, is daarmee niet de afsluiting van de heilsgeschiedeniscyclus maar de openbaring van een geheel nieuwe orde — de dag die geen avond kent, de sabbat-rust die niet opgaat in de volgende werkdag maar duurt in de eeuwigheid. Noordzij positioneert Salomo’s tempelinhuldiging daarmee als het scharniertype tussen de feestcyclus-voltooiing en de nieuwe-scheppingsopenbaring: de heerlijkheid die de tempel invulde was een momentopname; de heerlijkheid van het antitypische Loofhuttenfeest is permanent en totaal.

Gerelateerde types

Voetnoten

Footnotes

  1. Jones, SftB (The Struggle for the Birthright), hfst. 6 (“The Rejection of Jesus”); Salomo als type van Christus de ware Vredevorst, in contrast met Absalom als valse vredevorst. 2

  2. Warnock, HLF (Crowned With Oil), ch. 7 — Christus als Tak (Zech. 6:12), Wortel uit droge grond (Jes. 53:2), groeit op als Wijnstok.

  3. Warnock, CWO, ch. 7 — Christus op troon van David, Hand. 2:33 Heilige Geest uitgestort.

  4. Noordzij, CZ (Het Loofhuttenfeest), secties “Het feest van volmaakte rust” en “Het feest van volle heerlijkheid”; tempelinhuldiging als type van heerlijkheid-vervulling, achtste dag als nieuw-scheppingsbeeld. 2