Loofhuttenfeest
Typologische behandeling in het corpus
Het Loofhuttenfeest (Sukkot), het derde en laatste van de drie grote Israëlitische feesten, wordt door Warnock, Jones en Noordzij aangewezen als type van de eschatologische voltooiing: de volle vervulling van de Geest, de openbaring van de zonen Gods, en de inhuldiging van het Koninkrijk. Waar Pascha en Pinksteren al zijn vervuld, staat de vervulling van het Loofhuttenfeest voor alle drie de auteurs nog uit.
Bijbelse verankering
| Referentie | Context |
|---|---|
| Lev. 23:34-44 | Instelling van het Loofhuttenfeest: zeven plus één dag, loofhutten bouwen, feestgemeente |
| Ex. 23:16 | ”Het feest van de inzameling, aan het einde van het jaar” |
| Joh. 7:37-38 | Jezus roept op de laatste dag van het feest: “Wie dorst heeft, kome tot Mij” — type uitstorting Heilige Geest |
| 1Kon. 8:2, 10-11 | Salomo’s tempelinhuldiging op het Loofhuttenfeest: heerlijkheid Gods vult de tempel |
| Kol. 3:4 | ”Wanneer Christus verschijnt, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid” |
| Rom. 8:19, 23 | Openbaring van de zonen Gods + verlossing van het lichaam als eschatologische vervulling |
| 1Kor. 15:52 | Lichamelijke opstanding bij de laatste bazuin |
Typologische duiding per auteur
Warnock
Warnocks gehele werk The Feast of Tabernacles is gewijd aan de typologische uitleg van dit feest. Zijn centrale these is dat de drie jaarlijkse feesten de gehele kerkgeschiedenis typeren:
“Twee van de drie jaarlijkse feesten van Israëls eredienst zijn al vervuld in Christus en Zijn Kerk… wij staan nu aan de rand van de vervulling van het laatste jaarlijkse feest des Heren.”1
Dit drievoudige feestenschema structureert bij Warnock de gehele heilsgeschiedenisinspanning. Pascha — vervuld aan het kruis — beeldt de verlossing uit de straf op zonde uit. Pinksteren — vervuld bij de uitstorting van de Geest (Hand. 2) — beeldt de eerstelingsgave van de erfenis uit, het onderpand van de volle erfenis. Het Loofhuttenfeest staat voor de derde en definitieve fase: de volle zalving, de openbaring van de zonen Gods, en de intrede in de eeuwige sabbat. Warnock benadrukt dat dit geen menselijke indeling is maar een goddelijk profetisch schema, ingesteld door God zelf (Lev. 23). Dat twee van de drie feesten al zijn vervuld geeft de kerk absolute zekerheid over het derde: Gods profetische kalender heeft geen lacunes. De kerk staat daarmee op de drempel van het meest significante profetische moment sedert Pinksteren. Het Loofhuttenfeest is voor Warnock de sabbatstijd van de kerkgeschiedenis:
“Evenals de wekelijkse sabbat het einde was van Israëls week van moeite en arbeid — zo is het Loofhuttenfeest het einde van de week van strijd en beroering van de Kerk: het Feest aller Feesten, de Sabbat aller Sabbaten.”2
Het sabbat-beeld is voor Warnock theologisch constitutief, niet louter retorisch. Het drievoudige feestenschema weerspiegelt het universele patroon van arbeid gevolgd door rust dat de gehele Schrift doorkruist, van de schepping (Gen. 2:1-3) tot de eschatologische vervulling (Hebr. 4:9-11). Zoals Gods scheppingswerk samenstroomde in de zevende dag van rust, zo stroomt de heilsgeschiedenisinspanning van de kerk samen in het zevende-maands-feest. Het Loofhuttenfeest markeert niet slechts het einde van de kerkelijke arbeidstijd maar het ingangspunt van een nieuwe modus van bestaan — leven in de volheid van de Geest, niet meer in de onvolledigheid van het Pinkster-onderpand. Warnock tekent dit af als een kwalitatieve drempel: de sabbat die het feest uitbeeldt is de door God voorbereide rust voor zijn volk (Hebr. 4:9), niet het herstel van de oude aardse orde maar de intrede in een geheel nieuwe orde van Gods heerlijkheid. Het feest is profetisch van aard, gericht op alle volken:
“Het Inzamelingsfeest, dat is aan het einde van het jaar, wanneer gij uw arbeid van het veld hebt ingezameld (Ex. 23:16).”3
Het “inzamelingsfeest aan het einde van het jaar” heeft een universele scopus die Warnock nadrukkelijk benadrukt. Pascha was het feest van Israëls nationale bevrijding. Pinksteren was al breder: de zichtvelden (Lev. 23:22) werden opengesteld voor de vreemdeling die durfde te oogsten. Maar het Loofhuttenfeest is eschatologisch gericht op alle volken: de zeventig ossen die op het feest werden geofferd, vertegenwoordigen de zeventig volken van de aarde (Gen. 10). Zach. 14 bevestigt dit profetisch: in het messiaanse tijdperk zullen alle naties jaarlijks optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. De oogst van het veld (Ex. 23:16) is bij Warnock daarmee een beeld van de eschatologische inzameling van de gehele mensheid — de volkerenharvest die de feestencyclus bekroont. De achtste dag — het octaaf — wijst op de voltooiing van Gods doelstellingen en het begin van een nieuwe dag:
“De achtste dag spreekt ongetwijfeld van de voltooiing van Gods doelstellingen in de Kerk, en het begin van een nieuwe dag.”4
Het octaaf overstijgt de voltooide zevencyclus. In de bijbelse symboliek markeert acht niet slechts een nieuwe tel maar een kwalitatieve transcendentie van het scheppingspatroon: de besnijdenis op de achtste dag (Gen. 17:12) tekent het verbondskind als behorend tot een nieuwe orde; de opstanding van Christus op de eerste/achtste dag inaugureert de nieuwe schepping. Warnock leest de achtste dag van het Loofhuttenfeest als de typologische aanduiding van de nieuwe aeon: niet de herstelperiode van het Millennium alleen, maar de doorbraak naar het eeuwige — het moment waarop God “alles in allen” is (1Kor. 15:28). De gemeente van het Loofhuttenfeest-tijdperk is daarmee niet slechts de voltooiing van de kerkgeschiedeniscyclus maar de eerste bewoners van een nieuwe scheppingsorde die door de structuur van het feest wordt aangeduid. Warnock positioneert dit als het eindpunt waarnaar de gehele profetische trajectlijn van de Schrift convergeert — het Feest aller Feesten als Gods definitieve antwoord op de val.
In Crowned With Oil (ch. 7) werkt Warnock de “meer uitnemende bediening” (Hebr. 8:6) uit als de hemelse fase van het Loofhuttenfeest — Christus regeert op de grootste troon in Gods heelal en bouwt een heerlijke Tempel in de aarde:
“Hij zal de tempel des Heren bouwen; en Hij zal de heerlijkheid dragen, en zal zitten en regeren op Zijn troon; en Hij zal een priester zijn op Zijn troon” (Zech. 6:13).5
Christus is “de Man wiens naam de Tak is” (Zech. 6:12) — Hij “groeit” uit Zijn plaats, een “Wortel uit een droge grond” (Jes. 53:2). Hij groeit en wordt een Wijnstok. In die Wijnstok zijn andere ranken, die aan Hem zijn toegevoegd, en die één met Hem worden. Met Hem zullen zij priesters op de troon zijn, want zij zijn gemaakt tot “Koningen en priesters voor God” (Openb. 1:6).
Er zijn niet twee instellingen: een koninkrijk, en dan een priesterschap. God maakte dit onderscheid in het Oude Testament, toen Israël faalde als “een koninkrijk van priesters” (Ex. 19:6). Maar de menselijke fout frustreert Gods plan niet; na de opstanding van Christus deed Hij wat Hij aan Mozes had gepland: “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap” (1Pet. 2:9).
Warnock benadrukt dat Gods kronen alleen zijn voor hen die zich kwalificeren als priesters. De enige kroon van gezag op hun voorhoofd zal een priesterlijke kroon van olie zijn: “Want de kroon van de zalfolie van zijn God is op hem” (Lev. 21:12). “De HERE heeft gezworen, en Hij zal het niet berouwen: Gij zijt een priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek” (Ps. 110:4).
De “meer uitnemende bediening” is de hemelse tabernakel-typologie: Christus regeert als Priester-Koning op de troon, en in die bediening worden de zonen Gods als ranken in de Wijnstok opgevoed tot koninklijke priesters die de aarde regeren. Het Loofhuttenfeest is de eschatologische vervulling waarin de hemelse bediening zichtbaar wordt in de aardse realiteit — niet door menselijke macht, maar door de Geest die de Tempel van Gods heerlijkheid in de aarde bouwt.
Jones
Jones analyseert het Loofhuttenfeest in Secrets of Time als het hoogtepunt van het heilshistorisch feestenstelsel. In het beeld van de drie duiven die Noach uitzond:
“Ten slotte correspondeert het Loofhuttenfeest met Noachs derde duif. Het is de laatste zalving, want het stelt de uitgestorte volheid van de Geest voor, waarin wij de verlossing van het lichaam zien (Rom. 8:23). Bij deze uitstorting ontvangt men het ware erfdeel dat in Adam verloren ging: het verheerlijkte lichaam.”6
Het drievoudige duivenpatroon is voor Jones een hermeneutische sleutel op de pneumatologische structuur van de heilsgeschiedenis. De eerste duif keerde niet terug: de gemeente vóór Pinksteren had de Geest nog niet als inwonend erfdeel. De tweede duif keerde terug met een olijfblad: Pinksteren bracht de Geest als eerstelingsgave, een deposito van de erfenis — aanwezig maar onvolledig (Rom. 8:23: “wij die de eerstelingen van de Geest hebben”). De derde duif keerde niet terug: het Loofhuttenfeest markeert de uitstorting van de volheid van de Geest, inclusief de verlossing van het lichaam. Dit lichamelijke aspect is voor Jones het onderscheidend kenmerk van het Loofhuttentijdperk: Pinksteren verloste geest en ziel maar het lichaam bleef onderworpen aan vergankelijkheid; Tabernakelen omvat ook de verlossing van het lichaam. Het verheerlijkte lichaam is het “ware erfdeel dat in Adam verloren ging” — de hersteltheologische voltooiing van wat bij de val verloren raakte. Jones situeert de huidige kerkgeschiedenis op de drempel van het Loofhuttentijdperk:
“Wij staan vandaag aan de drempel van het Loofhuttentijdperk. Het Pascha-tijdperk begon met de uittocht van Israël uit Egypte op de Pascha-dag en eindigde aan het Kruis. Het Pinkster-tijdperk begon in het tweede hoofdstuk van Hand. en eindigde 40 jubeljaren later op de Pinksterdag, 30 mei 1993. Wij bevinden ons nu in de overgang naar het grote Loofhuttentijdperk, dat duizend jaar zal duren. Het is het grote Rustjaar, het Sabbat-millennium.”7
Jones’ chronologische precisie is kenmerkend voor zijn Secrets of Time-methode. Het aflopen van het Pinkster-tijdperk op 30 mei 1993 berekent hij door veertig jubileumcycli (40 × 49 = 1960 jaar) te tellen vanaf Pinksteren in Hand. 2. Dit toepassen van de jubileumrekening op de feestencycli weerspiegelt Jones’ bredere these: God werkt in meetbare tijdscycli en de feestenkalender openbaart zijn agenda. Dat de overgang niet schoksgewijs verloopt maar via een periode van voorbereiding is bij Jones bewust onderscheiden — er is geen harde breuk maar een toenemende zalving die de overwinnaars meeneemt in de nieuwe fase. Het Sabbat-millennium is zijn term voor het Loofhuttenfeest-tijdperk als het rustjaar op de schaal van de wereldgeschiedeniscyclus. In The Laws of the Second Coming verbindt Jones de wateruitgieting tijdens het feest met de uitstorting van de Geest:
“Overwinnaars zullen hun tabernakel ontvangen, dat uit de hemel is en niet met mensenhanden gemaakt (2Kor. 5:1).”8
Het hemelse tabernakel van 2Kor. 5:1 is het verheerlijkte lichaam dat Paulus stelt tegenover de aardse “tent” van het sterfelijke lichaam. Jones leest de liturgische structuur van het Loofhuttenfeest — waarbij Israëlieten zeven dagen in tijdelijke loofhutten woonden — als profetische uitbeelding van de gemeente die nu nog in haar sterfelijke, tijdelijke lichaam (sukkah) verblijft in afwachting van de hemelse woning. Het feest was de jaarlijkse herinnering aan de woestijnperiode (Lev. 23:43) maar wees profetisch naar voren: de tijdelijkheid van de tegenwoordige aardse staat en de zekerheid van het komende hemelse bestaan. De wateruitgietingsceremonie op de laatste dag (Hosha’na Rabbah) — waarbij de hogepriester water uit het bad Siloam haalde en dat bij het altaar uitgoot — was de liturgische enscenering van Joëls profetie van de eindtijdse Geestesuitstorting:
“Het uitgieten van water bij het Loofhuttenfeest was bedoeld om de uitstorting van de Geest van God uit te beelden, zoals geprofeteerd door Joël 2:23, 28.”9
Jones plaatst deze wateruitgieting in zijn bredere jubileum-theologie. Het Loofhuttenfeest valt in de zevende maand — de maand van de grote cyclische voltooiing: het jubeljaar begint op de tiende van de zevende maand (Lev. 25:9), het Loofhuttenfeest duurt van de vijftiende tot de drieëntwintigste. De wateruitgieting op Hosha’na Rabbah is de liturgische apex van de feestencyclus: de Geest wordt niet slechts gegeven als onderpand maar als bevrijdende stroom van het jubeljaar — de kosmische vrijlating van al wat gebonden was. De zeventig ossen die op het feest werden geofferd (Num. 29:13-34, elke dag één minder) vertegenwoordigen de zeventig volken van de aarde (Gen. 10): het Loofhuttenfeest is eschatologisch gericht op de inzameling van alle naties. De afnemende reeks benadrukt de geordende voltooiing van Gods aanspraken op de volkeren, uitmondend in de achtste-dag aankondiging van de nieuwe schepping.10
Noordzij
Noordzij wijdt zijn zevende werk (Het Loofhuttenfeest) volledig aan de typologische uitleg van dit feest. Zijn behandeling integreert de bijbelse feestcyclus, Openb. 12, de waterceremonie van Joh. 7, en historische beelden (Salomo, Jerobeam) als een samenhangende typologische visie op de eschatologische voltooiing.
Zonen Gods als eschatologisch doel (Openb. 12:5; Rom. 8:19)
Noordzij verbindt het Loofhuttenfeest direct aan het voortbrengen van de zonen Gods als het eschatologische doel van de heilsgeschiedenis:
“De heerlijkheid, die de Vader aan Jezus gaf, moet als het ware geërfd worden door de ‘twaalf’, de ‘144.000’, de tot koninklijk priesterschap geroepen ‘zonen Gods’. Dat zal zijn tot heil van de ganse schepping (vgl. Joh. 17:22, Rom. 8:19, Openb. 12:1, 5).”11
De “144.000” en de “twaalf” zijn bij Noordzij getallensymbolen voor het representatieve messiaanse lichaam: geen exclusieve elite maar de volle maat van hen die de heerlijkheid van Joh. 17:22 in ontvangst hebben genomen — “de heerlijkheid die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven.” Rom. 8:19 plaatst dit in kosmisch perspectief: de ganse schepping reikhalst naar de openbaring van de zonen Gods, want haar bevrijding uit de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid hangt van dit Loofhuttenfeest-moment af. Het priesterlijke lichaam dat bij de vervulling van het feest wordt geopenbaard, is daarmee niet een doel op zichzelf maar de sleutel tot de universele herstelling. Noordzij tekent dit als het hart van zijn boek: het Loofhuttenfeest is het feest waarop de zonen Gods verschijnen en daarmee de kosmische herstelling inluiden. De wederkomst is bij Noordzij uitdrukkelijk corporatief:
“Hij komt als ‘volheid van Christus, als de Zoon met de zonen, als Hoofd èn lichaam’. Hij komt samen ‘met hen die èn geroepen, èn uitverkoren, èn trouw zijn’ (Openb. 17:14). Zij zullen met Christus verschijnen in heerlijkheid! (Kol. 3:4).”11
De corporatieve wederkomst is voor Noordzij een typologische noodzaak. Het Loofhuttenfeest was per definitie een samenkomen: alle mannen moesten “voor de Heer verschijnen” (Deut. 16:16). Deze gemeenschappelijke verschijning is het OT-type van de toekomstige verschijning van Christus met zijn lichaam. Openb. 17:14 specificeert de corporatieve aard: “zij die met Hem zijn” — geroepenen, uitverkorenen, getrouwen — verschijnen als eenheid met het Hoofd. Kol. 3:4 geeft de tijdsaanduiding: “wanneer Christus verschijnt.” Dit “wanneer” is bij Noordzij geen vage futurum maar het kalendermatige ontknopingspunt van de gehele typologische structuur van zijn boek. Het nieuwe priesterschap is “van de ordening van Melchizedek” (Hebr. 6:20), onvergankelijk “krachtens een onvernietigbaar leven” (Hebr. 7:16) — daarmee het Aäronitische afstammingsbeginsel definitief overstijgend en openstaand voor allen die in Christus zijn.
Waterceremonie als type van de Heilige Geest (Joh. 7:37-38)
Noordzij beschrijft de hogepriesterceremonie van het Loofhuttenfeest als type van de uitstorting van de Geest. Op de laatste grote dag van het feest haalde de hogepriester water uit het bad Siloam en goot dat uit bij het altaar — waarop Jezus opstond en riep:
“Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen drinken! Dan zullen er, als hij in Mij gelooft, stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien (Joh. 7:37-38). Letterlijk staat er: ‘Wie Mij ingelovende is’. Wie bij voortduring ‘Hem in’ gelooft en zo ‘in Christus’ komt, zal niet alleen levend water indrinken, maar op den duur zullen er stromen van levend water ook uit hem gaan stromen.”12
De exegetische precisie waarmee Noordzij Joh. 7:38 leest, is kenmerkend voor zijn hermeneutiek. De participiumvorm “Mij ingelovende” (ho pisteuōn eis eme) wijst op een continuerende geloofsdaad: niet één beslissingsmoment maar een voortdurend “inkomen” in Christus door geloof. Noordzij verbindt dit aan zijn concept van het “wonen in Christus”: de gelovige die blijft geloven, ontvangt niet slechts een éénmalige uitstorting maar wordt zelf een stromende bron. Dit is de verschuiving van het Pinkster-model (ontvangen als onderpand) naar het Loofhuttenfeest-model (uitstromen als volheid): de volle zalving is niet slechts receptief maar actief-missionair. De hogepriester goot het water uit bij het altaar — bij de plek van het brandoffer, het vuur — als beeld van de vereniging van offer en Geest-uitstorting. Noordzij ziet hierin de typologische grond van de eschatologische uitstorting waarbij de gemeente zelf de waterstroom voor de volkeren wordt.
Salomo’s tempelinhuldiging als type (1Kon. 8:2, 10-11)
Noordzij gebruikt de inhuldiging van Salomo’s tempel als type van de komende Loofhuttenfeest-vervulling. De inhuldiging vond plaats op de zevende maand — de maand van het Loofhuttenfeest (Ethanim):
“Een beeld daarvan vinden we in 1Kon. 8. Toen Salomo de tempelbouw klaar had, werd de ark naar binnen gebracht en ‘toen de priesters naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de Heer, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen: de heerlijkheid van de Heer had de tempel vervuld’ (vers 10 en 11). Dit alles vond plaats op het feest in de maand Ethanim (=de zevende, de maand van het loofhuttenfeest, vers 2). Zo zal God Zijn ‘huis’, dat niet met handen is gemaakt, vervullen met Zijn heerlijkheid op het èchte loofhuttenfeest.”11
De typologische kracht van dit beeld ligt in de combinatie van drie elementen: de ark (de tegenwoordigheid Gods), de wolk (de Sjechina-heerlijkheid), en de tempel (het huis dat God bewoont). Salomo’s tempel was gemaakt van handen — cederhout, steen, goud. Gods toekomstige huis is “niet met handen gemaakt” (2Kor. 5:1; Hebr. 9:11): het levende lichaam van Christus, zijn gemeente. Wanneer God zijn Sjechina-heerlijkheid over dit huis uitstort op het antitypische Loofhuttenfeest, zal de heerlijkheid van Salomo’s inhuldiging verbleken — precies wat Jezus aankondigde: “hier is meer dan Salomo” (Matt. 12:42). De maand Ethanim is voor Noordzij geen historische bijzonderheid maar een typologische vingeraanwijzing: God koos de kalendermatige context van het Loofhuttenfeest voor de definitieve heerlijkheidsuitstorting in de antechambre van Salomo’s tempel als voorteken van de grotere werkelijkheid die nog komen moet.
Achtste dag als type nieuwe schepping en eeuwig leven
De dag na het Loofhuttenfeest (de achtste dag) duidt Noordzij als nieuw-scheppingstype:
“Het getal acht verwijst in de bijbel naar ‘nieuw leven’, het leven in Christus. Ongetwijfeld duidt deze achtste dag op het feit, dat Gods doel met de mens bereikt is: er is een ‘nieuwe dag’ begonnen, een ‘sabbat’, een nieuwe periode van ongekende rust, de ‘dag des Heren’.”13
De achtste dag (Shemini Atzeret) is bij Lev. 23:36 een extra feestdag die volgt op de zeven dagen van het Loofhuttenfeest: na de voltooide cyclus van zeven breekt het achtvoudige aan. In Noordzijs bijbelse getalsymboliek verwijst acht naar de nieuwe schepping: besnijdenis op de achtste dag (Gen. 17:12), opstanding van Christus op de eerste/achtste dag, acht zielen in de ark als eerstelingen van een nieuwe wereld (1Pet. 3:20). De achtste dag van het Loofhuttenfeest is daarmee niet de afsluiting van het feest in de zin van het einde, maar de aankondiging van het kwalitatief nieuwe dat ná het Millennium begint — de eeuwige dag des Heren die geen einde heeft. Noordzij beschrijft dit als “een nieuwe periode van ongekende rust”: niet de betrekkelijke rust van het vrederijk maar de absolute sabbat-rust van de vervolmaakte schepping. Het geheel van de typologische structuur — Pascha, Pinksteren, Loofhuttenfeest, achtste dag — vormt een progressieve ontvouwing van Gods heilsplan, waarbij elk stadium opbouwt op het vorige en uitwijst naar het volgende.
Herstel van alle dingen (apokatastasis)
De eschatologische reikwijdte is bij Noordzij uitdrukkelijk universeel. De verschijning van Christus met de zonen Gods heeft als onmiddellijk gevolg:
“Dan zullen wij, als Hij verschijnt, met Hem verschijnen in heerlijkheid en een bron van leven zijn tot heil van de ganse schepping (Rom. 8:19-21).”12
Noordzij gebruikt consequent “het herstel van alle dingen” als eschatologisch doel van het Loofhuttenfeest, zonder de term apokatastasis te noemen. De reikwijdte omvat niet slechts de gemeente maar “de gehele schepping”: Rom. 8:19-21 spreekt van de schepping die is “onderworpen aan de vergankelijkheid” maar in “hoop” — de hoop op de openbaring van de zonen Gods die haar bevrijding inluidt. Noordzij plaatst het Loofhuttenfeest precies op dit kosmische scharnierpunt: de ontknoping van Christus met zijn lichaam is niet een privaat geestelijk evenement maar de herinstelling van de band tussen schepper en schepping. De gemeente is daarmee instrumenteel in Gods universele herstelplan — “een bron van leven tot heil van de ganse schepping” — overeenkomstig de belofte aan Abraham dat “in uw zaad alle volken der aarde gezegend zullen worden” (Gen. 22:18). Het Loofhuttenfeest-type is daarmee meer dan een eschatologische gebeurtenis: het is het omslagpunt van de gehele heilsgeschiedenistrajectorie.
Jerobeam als negatief type (1Kon. 12)
In het kader van zijn Loofhuttenfeest-uitleg introduceert Noordzij ook het negatieve type: het vals loofhuttenfeest van Jerobeam als waarschuwing voor “Jerobeams in onze dagen”. Zie Jerobeam.
Gerelateerde types
- Verbonden: grote-verzoendag (Grote Verzoendag gaat het Loofhuttenfeest vooraf als reinmakingsfase)
- Verbonden: jubeljaar (Jubeljaar als de wettige structuur van de Loofhuttenfeest-vervulling)
- Verbonden: Samuël (type van het nieuwe priesterlijke volk dat bij het Loofhuttenfeest openbaar wordt)
- Verbonden: Jerobeam (negatief type: vals loofhuttenfeest)
- Via getalsymboliek: 50 (getal van de Geest en het Jubeljaar, onlosmakelijk met het Loofhuttenfeest)
- Via getalsymboliek: 8 (achtste dag van het feest als type van het nieuwe begin)
Voetnoten
Footnotes
-
Warnock, FOT (The Feast of Tabernacles, 1951), hfst. 1. ↩
-
Warnock, FOT (The Feast of Tabernacles, 1951), hfst. 11. ↩
-
Warnock, FOT (The Feast of Tabernacles, 1951), hfst. 10 (over Ex. 23:16). ↩
-
Warnock, FOT (The Feast of Tabernacles, 1951), hfst. 11. ↩
-
Warnock, CWO, ch. 7 — Christus bouwt tempel des Heren (Zech. 6:13), priester op Zijn troon. ↩
-
Jones, ST (Secrets of Time, 1996), hfst. 3 — de derde duif en het Loofhuttentijdperk. ↩
-
Jones, ST (Secrets of Time, 1996), voorwoord. ↩
-
Jones, LoSC (The Laws of the Second Coming), hfst. 7. ↩
-
Jones, LoSC (The Laws of the Second Coming), hfst. 7. ↩
-
Jones, CJ (Creation’s Jubilee), hfst. 10 — zeventig ossen en de zeventig volken. ↩
-
Noordzij, CZ (Het Loofhuttenfeest), sectie “Het feest van volle heerlijkheid”. ↩ ↩2 ↩3
-
Noordzij, CZ (Het Loofhuttenfeest), sectie “Het feest van Zijn verschijning”. ↩ ↩2
-
Noordzij, HLF (Het Loofhuttenfeest), sectie “Het feest van volmaakte rust”. ↩