Afsterving en opstanding

het hart van de christelijke transformatie

Het woord afsterving klinkt zwaar — en dat is het ook. Het Griekse nekrōsis betekent letterlijk het in dood verkeren. Toch is het juist dit woord dat eeuwenlang in de christelijke spiritualiteit gebruikt is om iets positiefs te beschrijven: de bevrijding van een leven dat niet meer klopt. Wie het woord afsterving opzoekt in de Heidelbergse Catechismus, stuit op een definitie die verbaasd: afsterving is niet het einde maar het begin. Het is de noodzakelijke keerzijde van opstanding.

Maar wat sterft er precies? En hoe? En wie doet eigenlijk dat werk?

Wat leert de hersteltheologie ons?

De apokatastasis.wiki-bronnen benaderen afsterving langs drie verwante maar onderscheiden wegen. Wat ze gemeen hebben, is dat afsterving nooit doel op zichzelf is. Het is altijd functioneel — het ruimt iets op wat in de weg staat. Dat iets heet in de bronnen het “oude zelf,” de “oude mens,” of het “Adamische ik.” En het staat de opstanding in de weg.

Cees Noordzij beschrijft in Mozes en de weg tot zoonschap de weg van “stervende zult gij sterven” (Genesis 2:17b) tot zoonschap Gods als “een dodelijk proces voor het oude ik.” Dat klinkt somber, maar Noordzij bedoelt het anders: het is de weg. Niet een obstakel op de weg, maar de weg zelf. “Zoonschap is geen ego-trip,” schrijft hij. “Het is dood aan ons ik.” En dan citeert hij Galaten 2:20 — de tekst die Paulus inzette om te beschrijven wat er met hemzelf was gebeurd:

Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn eigen ik, maar Christus leeft in mij.

Afsterving, zo gezien, is niet het verdwijnen van de persoon maar het verdwijnen van het eigen-ik als bestuurder.

(Noordzij — Hamartologie b1)

Drie stemmen over één thema

Noordzij: een drievoudig proces

In zijn reflecties op de dooptheologie (Wat is dopen?) onderscheidt Noordzij drie stadia van doop die een oplopend proces van afsterving beschrijven. Waterdoop begint het proces: het staat voor een breuk met aardse oriëntatie, een omdenken “over dingen boven, niet aardse dingen” (Kolossenzen 3:2). Geestdoop verdiept en bekrachtigt. En de derde doop — doop in Christus Jezus door de Heilige Geest — is waar de eigenlijke afsterving plaatsvindt:

Ten derde vindt doop in Christus Jezus plaats door de Heilige Geest — een transformatief proces naar geestelijke volwassenheid en Gods zoonschap, wat versterving van het ‘oude zelf’ en opstanding naar ‘nieuw leven’ meebrengt (Romeinen 6:3-5).

(Noordzij — Hamartologie b10)

Opvallend is dat Noordzij dit niet als eenmalige crisis beschrijft maar als een voortdurend proces. Het is ook geen menselijk project. “Alleen de verheven Heer kan deze doop uitvoeren,” schrijft hij, en de Geest is het subject, niet de gelovige die zichzelf aan het werk zet.

Stephen Jones: metamorfose en kosmologische opstanding

Stephen Jones benadert het thema vanuit een andere hoek: de metamorfose. In The Laws of the Second Coming gebruikt hij het beeld van de rups en de vlinder om te beschrijven wat er met de mens in Christus gebeurt:

Het begint als een rups, die zijn gehele lichaam in een cocon wikkelt, behalve zijn hoofd, dat weldra sterft en afvalt. Toch wordt het door het proces genaamd ‘metamorfose’ getransformeerd in een levende vlinder. Op dezelfde wijze hebben wij een levend Zaad in ons dat het mogelijk maakt voor ons om getransformeerd te worden tot een nieuw schepsel.

(Stephen Jones — Antropologie b4)

Het “Adamische hoofd” valt af — het wordt niet hervormd of verbeterd. De herstelling is een beweging van het eerste naar het tweede Adams-beeld. Dat is de antropologische kant. Maar Jones gaat ook de juridisch-soteriologische kant op. In Free Will Versus Ownership stelt hij dat de dood niet het definitieve oordeel is maar een correctief. Gods karakter is als een vuur dat verteert om te reinigen — niet om te vernietigen. En de reikwijdte van Christus’ werk is even breed als Adams val:

Zoals dan door één overtreding de veroordeling tot alle mensen kwam, zo komt ook door één daad van Christus’ gerechtigheid de rechtvaardiging die leven geeft tot alle mensen. (Romeinen 5:18-19, geciteerd in Stephen Jones — Hamartologie b8)

Afsterving en opstanding zijn hier geen individuele geestelijke prestaties maar een kosmologisch patroon — wat Adam over de schepping bracht, keert Christus voor diezelfde schepping.

Nee-Lee: het leven dat ontvangen wordt

Watchman Nee en Witness Lee lezen Romeinen 6 als positionele werkelijkheid. De oude mens is al met Christus gekruisigd. Dat is geen gebod maar een gegeven:

Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens wandelen zouden. (Romeinen 6:4, geciteerd in Nee-Lee — Antropologie b8)

Het overwinnende leven — het leven van opstanding — wordt in deze visie “niet bereikt, maar ontvangen. Het is geen leven dat veranderd wordt, maar veeleer een leven dat wordt geruild.” Afsterving is hier geen persoonlijke prestatie maar erkenning van wat al heeft plaatsgevonden in Christus. De gelovige hoeft het niet te verdienen maar te aanvaarden.

Apokatastasis-doordenking

Wat doen deze beelden binnen een kader van apokatastasis — de uiteindelijke herstel van alle dingen?

Als Noordzij gelijk heeft dat afsterving een proces is dat door de Geest wordt bewerkstelligd en niet door menselijke inspanning, dan stelt zich de vraag: is dit proces begrensd in omvang? Wie valt erbuiten? Noordzij beschrijft het als gericht op “Gods zoonschap” — een bestemming die de bronnen uitdrukkelijk breed omschrijven.

Als Jones gelijk heeft dat de dood een correctief oordeel is en Christus’ gerechtigheid tot alle mensen reikt (Romeinen 5:18-19; 1 Korintiërs 15:22), dan is afsterving geen selectief voorrecht. Dan is het de weg die de gehele schepping bewandelt — de een eerder, de ander later, maar allen naar hetzelfde doel.

Als Nee-Lee gelijk heeft dat het nieuwe leven niet verdiend maar ontvangen wordt, dan hangt de vraag of allen uiteindelijk in die positie terechtkomen samen met de vraag of Gods aanbod ooit ophoudt te werken.

De bronnen dwingen geen antwoord af. Maar ze plaatsen de vraag in een groter licht: afsterving en opstanding zijn niet primair een persoonlijk geestelijk project maar een kosmisch patroon dat in Christus is begonnen. Het oude zelf — in de mens, en misschien door de mens ook in de schepping — is niet voor altijd. En de opstanding die erop volgt is dat des te meer.

Uitnodiging

Wat is voor u de sterkste associatie bij het woord “afsterving”? Iets wat u ontwijkt, iets wat u zoekt, iets wat u al is overkomen zonder dat u het zo noemde?

De bronnen in deze wiki nodigen uit om het woord opnieuw te lezen — niet als een religieuze tuchtiging, maar als beschrijving van hoe transformatie werkt. De rups gaat niet de cocon in als straf. Het is de enige weg naar vleugels.

Wie doet eigenlijk dat werk in u? En wanneer is het klaar?