George H. Warnock — Schepping

b2 — Evening and Morning


Natuur als manifestatie van het Woord van God

Warnock stelt in Hoofdstuk 1 dat de natuur geen autonoom gegeven is, maar een directe manifestatie van Gods Woord:

“Wij moeten dit immers ook verwachten, want de natuur is niet anders dan een manifestatie van het Woord van God. Er was een tijd dat mensen geen Woord hadden behalve het Woord der natuur, en het was zo’n duidelijke openbaring van het denken en het karakter van God dat de apostel kon zeggen: ‘Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, wordt, sedert de schepping van de wereld, uit Zijn werken doorzien en verstaan, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn’ (Rom. 1:20).”1

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 1 — Unfolding Revelation)

Interpretatie: Warnock ziet de schepping als een eerste openbaringsmedium vóór de Schrift. De natuur is niet slechts analogie of illustratie, maar letterlijk “een manifestatie van het Woord van God.” Hij baseert zich hierbij op Rom. 1:20.


Scheppingscycli: hemellichten, zon, wind en rivieren

In directe aansluiting op de bovenstaande passage citeert Warnock Gen. 1:13 over de functie van de hemellichamen:

“De hemellichamen zijn voor ‘lichten’ alsook ‘tot tekenen, en tot tijden, en tot dagen en jaren’ (Gen. 1:13). Er zijn banen van Waarheid. Er zijn tijden van Waarheid. Er zijn dagen van Waarheid.”2

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 1 — Unfolding Revelation)

Hierop laat Warnock een uitgebreid citaat volgen uit Pred. 1:4-7:

“Het ene geslacht gaat heen, en het andere geslacht komt; maar de aarde blijft in eeuwigheid. Ook gaat de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. De wind gaat naar het zuiden, en hij keert om naar het noorden; hij keert wervelend om en om, en de wind keert weer terug op zijn kringloop. Alle rivieren stromen naar de zee, en toch wordt de zee niet vol; naar de plaats waar de rivieren heenstromen, daar keren zij terug om opnieuw te stromen’ (Pred. 1:4-7).”3

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 1 — Unfolding Revelation)

Interpretatie: Warnock gebruikt de scheppingscycli (zon, wind, rivieren) als structureel model voor zijn theologie van “banen van Waarheid.” De cirkelvormige patronen in de natuur zijn voor hem directe uitdrukkingen van Gods eeuwige waarheid en doel.


Avond en morgen: Gods scheppingsorde als theologisch principe

In Hoofdstuk 3 keert Warnock terug naar de scheppingsorde van Gen. 1 om zijn centrale these te onderbouwen:

“Volgens het boek Genesis (en wij hebben ontdekt dat we voortdurend moeten teruggaan naar Genesis om Gods orde te ontdekken) vormen ‘de avond en de morgen’ Gods volledige dag, en niet ‘de morgen en de avond’.”4

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 3 — The Day Is At Hand)

Warnock verbindt dit aan de dagelijkse cyclus van de zon en de groei van bomen:

“Met elke ondergang van de zon en het opnieuw opgaan ervan wordt er IETS NIEUWS volbracht in de aarde. Er wordt een nieuwe maat van groei overgedragen aan de bomen en struiken en planten van de aarde. Dag na dag, en jaar na jaar, is er een voortdurende deelname aan het leven van de zon, en een groei tot rijpheid.”5

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 3 — The Day Is At Hand)

Als concreet voorbeeld noemt hij de General Sherman Sequoia in Sequoia National Park: “Daar stond hij toen Abraham Ur der Chaldeeën verliet, misschien een klein jong boompje. […] Hij was getuige van winter en zomer, telkens weer. Maar hij overleefde, en groeide.”6

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 3 — The Day Is At Hand)

Interpretatie: Het avond-morgen patroon van Gen. 1 is voor Warnock niet slechts chronologisch, maar theologisch: God werkt altijd eerst door duisternis heen naar licht. Dit heeft directe implicaties voor zijn verstaan van de nieuwe schepping en de kerk.


Gen. 8:22: Onderhouding en voorzienigheid door de seizoenen

In Hoofdstuk 4 citeert Warnock Gen. 8:22 als onderbouwing voor Gods trouwe onderhouding via de schepping:

“Want Hij heeft gezegd: ‘Voortaan, alle dagen der aarde, zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden’ (Gen. 8:22).”7

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 4 — Come, O South Wind)

Dit citaat verschijnt in de context van zijn bespreking van de noordenwind (koud, kaal, ontbloot) als goddelijke voorbereiding op de zuidenwind (vruchtbaar, vol). Warnock verbindt het expliciet met Hoogl. 4:16:

“Daarom zegt de dichter: ‘Ontwaak, noordenwind! en kom, gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien’ (Hoogl. 4:16). Let nogmaals op de orde: eerst de noordenwind, en daarna de zuidenwind. Eerst de koude, dan de hitte. Eerst de sneeuw, dan de warme regens van de lente.”8

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 4 — Come, O South Wind)

Interpretatie: Gen. 8:22 fungeert bij Warnock als belofte van Gods continue onderhouding van de aarde. De seizoenen zijn niet willekeurig maar “perioden van goddelijke voorziening.” Elke winter is “een BELOFTE. Elke winter is een belofte van lente en leven.”


Sneeuw, rivieren en Gods woord: voorzienigheid via de natuur

In Hoofdstuk 5 citeert Warnock Jes. 55:10-11 om de parallel te trekken tussen de hydrologische cyclus en het Woord van God:

“God zei: ‘Gelijk de regen en de sneeuw uit de hemel neerdaalt, alzo zal Mijn woord zijn’ (Jes. 55:10, 11).”9

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 5 — The River of God)

Hieraan vooraf gaat een beschrijving van de Columbia Icefield in Jasper National Park als bron van drie grote rivieren: “Enorme gletsjers van vele mijlen breed, en tot 2500 voet dik, blijven deze rivieren aanvullen met hun eindeloze voorraad ijs en sneeuw, terwijl zij smelten in de zon, en aangevuld worden met een nieuwe voorraad in elk winterseizoen.”10

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 5 — The River of God)

Interpretatie: Warnock verbindt de hydrologische cyclus uit Pred. 1:7 — rivieren vloeien naar de zee en keren terug — met de werking van Gods Woord. De schepping illustreert Gods voorzienigheid niet slechts analogisch, maar als directe manifestatie ervan (zie ook Ch. 1).


Gods orde in de schepping: duisternis vóór licht, chaos vóór orde

Warnock formuleert in Hoofdstuk 4 een reeks scheppingsmatige polariteiten die hij als goddelijke orde beschouwt:

“Gods orde is eerst duisternis, dan licht. Eerst chaos, dan orde. Eerst onvruchtbaarheid, dan vruchtbaarheid. Eerst zwakheid, dan kracht. Eerst dood, dan leven.”11

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 4 — Come, O South Wind)

En hij verbindt dit expliciet aan Ps. 147:16-17:

“‘Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijp uit als as. Hij werpt Zijn ijs uit als stukken: wie zou bestaan kunnen voor Zijn koude?’ (Ps. 147:16, 17). Het is het waaien van de noordenwind. Maar het is nog steeds het Woord van God. Dat de noordenwind sneeuw en ijs bracht, was vanwege ‘Zijn bevel op aarde’. Maar het was niet bedoeld om te vernietigen, maar om te bereiden…”12

(Warnock, “Evening and Morning,” Ch. 4 — Come, O South Wind)

Interpretatie: Voor Warnock staan de harde elementen van de schepping (vorst, ijs, koude) onder Gods bevel (“Zijn bevel op aarde”). Gods voorzienigheid omvat ook de negatieve momenten van de scheppingscyclus — niet als kwaad, maar als voorbereiding op verdere vruchtbaarheid.

Originele citaten (Engelse bron)

Footnotes

  1. “After all, we must expect this to be so, for Nature is but a manifestation of the Word of God. There was a time when men had no Word but the Word of Nature, and it was such a clear revelation of the mind and character of God that the apostle was able to say, ‘The invisible things of him from the creation of the world are clearly seen, being understood by the things that are made, even his eternal power and Godhead; so that they are without excuse’ (Rom. 1:20).”

  2. “The heavenly bodies are for ‘lights’ as well as ‘for signs, and for seasons, and for days, and years’ (Gen. 1:13). There are orbits of Truth. There are seasons of Truth. There are days of Truth.”

  3. “One generation passeth away, and another generation cometh: but the earth abideth for ever. The sun also ariseth, and the sun goeth down, and hasteth to his place where he arose. The wind goeth toward the south, and turneth about unto the north; it whirleth about continually, and the wind returneth again according to his circuits. All the rivers run into the sea; yet the sea is not full: unto the place from whence the rivers come, thither they return again’ (Eccl. 1:4-7).”

  4. “According to the book of Genesis (and we have discovered that we must continually go back to the Genesis to discover God’s order) ‘the evening and the morning’ constitute God’s full day, and not ‘the morning and the evening.‘”

  5. “With every setting of the sun and rising of the same, there is a NEW THING accomplished in the earth. There is a new measure of growth transmitted to the trees and shrubs and plants of the earth. Day after day, and year after year, there is a continual participation in the life of the sun, and a growing unto maturity.”

  6. “There it stood when Abraham left Ur of the Chaldees, perhaps a little sapling. […] It witnessed winter and summer, over and over again. But it survived, and grew.”

  7. “For He hath said, ‘While the earth remaineth, seedtime and harvest, and cold and heat, and summer and winter, and day and night shall not cease’ (Gen. 8:22).”

  8. “Therefore the songwriter says, ‘Awake, O north wind; and come, thou south; blow upon my garden, that the spices thereof may flow out’ (Song 4:16). Notice the order once again: first the north wind, and then the south. First the cold, then the heat. First the snow, then the warm rains of spring.”

  9. “God said, ‘As the rain cometh down, and the snow from heaven, so shall My word be’ (Isa. 55:10, 11).”

  10. “Huge glaciers many miles across, and up to 2500 feet in thickness keep replenishing these rivers with their endless supply of ice and snow, as they melt in the sunlight, and are replenished with a new supply in every winter season.”

  11. “God’s order is first darkness, then light. First chaos, then order. First barrenness, then fruitfulness. First weakness, then power. First death, then life.”

  12. “‘He giveth snow like wool; he scattereth the hoarfrost like ashes. He casteth forth his ice like morsels: who can stand before his cold?’ (Psa. 147:16, 17). It is the blowing of the north wind. But it is still the Word of God. The north wind bringing the snow and ice was because of ‘his commandment upon the earth.’ But it was not intended to destroy, but to prepare…”