Stephen Jones — Ecclesiologie

b2 — The Restoration of All Things


Tabernakel als type van de hemelse tempel: Kerk en Israël

Jones stelt dat de rangschikking van de Israëlitische stammen rondom de tabernakel een aardse representatie is van de hemelse troonzaal:

“De kamporde rondom de tabernakel onder Mozes was bedoeld om op aarde die grote hemelse tempel uit te beelden die in Op. 4:7 wordt geopenbaard.”1 — Stephen E. Jones, The Restoration of All Things, Ch.8

De vier leidende stammen dragen de banieren van de vier levende wezens uit het Noahverbond (Gen. 9:9-10):

  • Oost: Juda — de leeuw (Gen. 49:9; Num. 2:3)
  • West: Efraïm — de os (Deut. 33:17; Num. 2:18)
  • Zuid: Ruben — de mens (Gen. 49:3; Num. 2:10)
  • Noord: Dan — de vliegende adelaar (Gen. 49:17; Num. 2:25)

Dezelfde vier wezens verschijnen in Openbaring 4:7 rondom Gods troon. Jones wijst op drie getuigen voor dit patroon:

“drie afzonderlijke getuigen — Mozes, Ezechiël en Johannes — die ons vertellen dat de vier levende wezens in het verbond met Noach worden voorgesteld rondom de troon van God. Hoewel de stammen van Israël dit weergeven in hun kamporde, treden zij in wezen op als typen die de gehele aarde vertegenwoordigen.”2 — Ch.8

Interpretatie: Voor Jones is Israël niet het eindpunt maar het type — een aardse uitbeelding van een universele hemelse werkelijkheid. De Kerk erft deze typologische functie als representant van heel de schepping.


Kerk als ‘Glorified Church’: universele aanbidding in Openbaring 5

Jones beschrijft de rol van de verheerlijkte Kerk in de eschatologische aanbidding als specifiek van de overwinnaars onderscheiden:

Over Openbaring 5:12-14 — eerst zingen de overwinnaars (regeerders op aarde), daarna zingt heel de schepping:

“En alle schepsel dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in hen is, hoorde ik zeggen: ‘Hem die op de troon zit, en het Lam, zij de zegening en de eer en de heerlijkheid en de heerschappij in alle eeuwigheid.‘”3 — Op. 5:13, geciteerd in Ch.8

Jones citeert Rev. William Milligan (The Expositor’s Bible, Vol. 6, p. 854, Eerdmans):

“De verloste schepping wordt opnieuw apart vermeld. In hfst. 4:8, 10 begonnen zij het lied; nu keren wij tot hen terug opdat zij het mogen besluiten. De gehele schepping, de mens inbegrepen, roept: Amen. De verheerlijkte Kerk heeft haar hart te vol om te spreken. Zij kan slechts neervallen en aanbidden.”4 — geciteerd in Ch.8

Jones citeert eveneens Commentary on the Whole Bible (Zondervan, p. 567):

“de vier levende wezens bekrachtigen door hun ‘Amen’ de toeschrijving van de heerlijkheid aan Hem door de gehele schepping.”5 — geciteerd in Ch.8

Jones voegt hieraan toe:

“het goddelijke plan is niet voltooid totdat de vier wezens AMEN zeggen op de heerlijkheid van God.”6 — Ch.8

Interpretatie: De glorified Church staat bij Jones niet als zwijgende toeschouwer — zij begint het lied (Op. 4:8, 10) maar is bij de universele voltooiing “te vol om te spreken”. Dit benadrukt het onderscheid tussen de Kerk als eerstelingen en de einduitkomst die de gehele schepping omvat.


Kerk als ambassadeurs: verbondsstructuur en zendingsopdracht

Jones beschrijft vijf progressieve verbonden als het kader voor Gods plan. Het Abrahamverbond stelt het volk vast waardoorheen dit plan gerealiseerd wordt:

“het zaad van Abraham, eerst lichamelijk en daarna geestelijk, zijn de ambassadeurs van Christus met het woord der verzoening tot de rest van de wereld.”7 — Ch.8

De verbondsstructuur zoals Jones die geeft:

  1. Noach: scope van het plan (heel de schepping)
  2. Abraham: het volk als uitvoerder (“ambassadeurs”)
  3. Mozes: de rechtvaardigheidsmaatstaf
  4. David: wie regeert (Jezus Christus)
  5. Nieuw Verbond: mogelijk gemaakt door het kruis

Over de grondslag van de universele verzoening (Kol. 1:20):

“om door Hem alle dingen met Zichzelf te verzoenen, vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis; door Hem, zeg ik, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.”8 — Kol. 1:20, geciteerd in Ch.8

Interpretatie: De Kerk als “zaad van Abraham” heeft een actieve zendingsfunctie — niet als doel van Gods plan, maar als middel.


Gods erfenis: karakter boven genealogie

Jones stelt dat Gods erfenis alle naties omvat en aan Jezus Christus gegeven is — niet aan etnisch Israël:

“Alle naties zijn Gods erfenis — niet slechts Israël of Juda.”9 — Ch.9

Over Psalm 82:8:

“Sta op, o God, oordeel de aarde! Want Gij zijt het die alle naties bezit [erft].”10 — geciteerd in Ch.9

Over Psalm 2:8:

“Eis van Mij, en Ik zal U de naties geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezit.”11 — geciteerd in Ch.9

Jones verbindt dit direct aan de Kerk:

“In het Nieuwe Testament vinden wij dat dit niet wordt gegeven aan genealogische Israëlieten, maar aan hen die in Jezus Christus geloven en die waardig bevonden worden om die naties rechtvaardig te regeren.”12 — Ch.9

Over Matteüs 5:5 als ecclesiologische kwalificatie:

“Jezus zegt in Matt. 5:5: ‘de zachtmoedigen [nederigen] zullen de aarde beërven,’ en plaatst de kwalificaties voor heerschappij op karakter, niet op genealogie. Hierin haalde Jezus alleen David in Psalm 37:11 aan.”13 — Ch.9

Interpretatie: De ecclesia als universeel volk van gelovigen uit alle naties is bij Jones niet alleen eschatologisch toekomstperspectief, maar ook ecclesiologisch criterium: de zachtmoedigen, niet de etnisch bevoorrechten, vormen het regerende lichaam.


Kerk en zending: Israëls zegening als doorgeefluik

Jones verbindt Psalm 67 met Petrus’ prediking in Handelingen 3 als ecclesiologisch zendingsparadigma:

“God zegent ‘ons’ door ons af te keren van onze boze wegen, opdat wij een getuigenis en evangelie zullen hebben waarmee wij de andere naties kunnen zegenen.”14 — Ch.9

Jones citeert Psalm 67:4 als fundering:

“Laat de naties verheugd zijn en zingen van vreugde, want Gij zult de volken oordelen met rechtvaardigheid.”15 — geciteerd in Ch.9

En stelt vervolgens:

“De meeste mensen denken aan Gods oordeel over de naties als een veroordeling die grote vrees en geween voortbrengt.”16 — Ch.9

Interpretatie: [SPANNING met eerdere bron] In b1 (Creation’s Jubilee) beschrijft Jones de Kerk als structureel imperfect (“verzuurd,” het Saul-koningschap). Hier in b2 krijgt de Kerk als “ambassadeur” en “zaad van Abraham” een positievere zendingsfunctie — de spanning tussen de institutionele Kerk als tekortschieten en de gelovigen als actieve dragers van verzoening wordt niet expliciet opgelost.

Originele citaten (Engelse bron)

Footnotes

  1. “The order of encampment around the tabernacle under Moses was meant to portray on earth that great heavenly temple revealed in Rev. 4:7.”

  2. “three distinct witnesses—Moses, Ezekiel, and John—who tell us that the four living creatures in the covenant with Noah are represented around the throne of God. Although the tribes of Israel depict this in their order of encampment, they are essentially acting as types that represent the whole earth.”

  3. “And every thing which is in heaven and on the earth and under the earth and on the sea, and all things in them, I heard saying, ‘To Him who sits on the throne, and to the Lamb, be blessing and honor and glory and dominion forever and ever.‘”

  4. “The redeemed creation is once more singled out for special mention. At chap. iv. 8, 10, they began the song; now we return to them that they may close it. All creation, man included, cries, Amen. The glorified Church has her heart too full to speak. She can only fall down and worship.”

  5. “the four living creatures ratify by their ‘Amen’ the whole creation’s ascription of the glory to Him.”

  6. “the divine plan is not completed until the four beasts say AMEN to the glory of God.”

  7. “the seed of Abraham, first physical and then spiritual, are the ambassadors of Christ with the word of reconciliation to the rest of the world.”

  8. “through Him to reconcile all things to Himself, having made peace through the blood of His cross; through Him, I say, whether things on earth or things in heaven.”

  9. “All the nations are God’s inheritance—not merely Israel or Judah.”

  10. “Arise, O God, judge the earth! For it is Thou who dost possess [inherit] all the nations.”

  11. “Ask of Me, and I will surely give the nations as Thine inheritance, and the very ends of the earth as Thy possession.”

  12. “In the New Testament we find that this is not given to genealogical Israelites, but to those who believe in Jesus Christ and who are found worthy to rule those nations righteously.”

  13. “Jesus says in Matt. 5:5, ‘the meek [humble] will inherit the earth,’ putting the qualifications for rulership upon character, not upon genealogy. In this, Jesus only quoted David in Psalm 37:11.”

  14. “God blesses ‘us’ by turning us from our wicked ways, so that we will have a testimony and gospel with which to bless the other nations.”

  15. “Let the nations be glad and sing for joy, for Thou wilt judge the peoples with uprightness.”

  16. “Most people think of God’s judgment upon the nations as a condemnation that produces great fear and weeping.”