Watchman Nee / Witness Lee — Ecclesiologie

b2 — The Economy of God


Wezen van de kerk — drie aspecten (1 Tim. 3:15)

Op basis van 1 Tim. 3:15-16 onderscheiden Nee/Lee drie aspecten van de kerk:

“Er zijn drie aspecten van de kerk die in vers 15 worden genoemd: het ‘huis Gods’, ‘de gemeente van de levende God’, en ‘de pilaar en grondslag der waarheid’.”

— Watchman Nee & Witness Lee, The Economy of God, hfst. 23, p. 200

Huis Gods: God woont, leeft en werkt Zijn leven uit in dit huis. “Wanneer wij zeggen dat de kerk het huis Gods is, moeten wij een zeer diep besef hebben dat God woont, leeft en Zijn leven uitwerkt in dit huis.” (hfst. 23, p. 201)

Pilaar en grondslag der waarheid: De kerk draagt de werkelijkheid. “Wij staan niet voor leer, maar voor Christus, de werkelijkheid, de waarheid.” (hfst. 23, p. 202)

Interpretatie: ‘Waarheid’ (ἀλήθεια) wordt hier niet als doctrine opgevat maar als de levende werkelijkheid van Christus Zelf — de Geest der waarheid (Joh. 16:13; 1 Joh. 5:6).


De kerk als voortzetting van de incarnatie

“Deze kerk is de voortzetting en de vermenigvuldiging van ‘God geopenbaard in het vlees’. Dit is de reden waarom de apostel Paulus deze twee verzen bij elkaar heeft geplaatst.”

— hfst. 23, p. 204

De kerk wordt hier opgevat als de ecclesiologische consequentie van 1 Tim. 3:16 (de christologische hymne). De gemeente is niet louter een instituut of vergadering, maar de voortgaande belichaming van God in de mensheid — corporatief wat Christus individueel is.


Lichaam van Christus — de driedelige mens en het gemeenteleven

Nee/Lee verbinden de antropologie van de driedelige mens direct met de ecclesiologie:

“Wij moeten onthouden dat Gods heilsplan en het kenmerk van Zijn heilsplan is, Zichzelf in ons uit te delen. Wij zijn in drie delen gemaakt: het lichaam naar buiten, de geest naar binnen, en de ziel daartussen.”

— hfst. 20, p. 174

Het gemeenteleven (Rm. 12) vereist de toewijding van het lichaam:

“In Romeinen 12 wordt ons gezegd dat, indien wij het gemeenteleven willen verwezenlijken, wij eerst ons vrijgemaakte lichaam aan de Heer moeten opdragen. Zolang ons lichaam in onze eigen handen blijft, bestaat er geen mogelijkheid voor ons om het leven van het Lichaam van Christus te verwezenlijken.”

— hfst. 20, p. 179

Interpretatie: Het hoofd ‘Tripartite Man Realizes the Body Life’ (p. 178) maakt de antropologisch-ecclesiologische koppeling expliciet: de lichamelijke toewijding (Rm. 12:1) is de voorwaarde voor de kerkelijke gemeenschap.


De kerk als bouwwerk van God — tabernakel als type

De tabernakel (Exo. 26) dient als uitvoerig type van de kerk:

“In de voorhof, de heilige plaats en het Heilige der heiligen bevinden zich de werkelijke inhoud van het ware bouwwerk Gods, de kerk. Indien wij het bouwwerk van Gods woning willen zijn, moeten wij ervaren wat Christus heeft volbracht door Zijn kruis en de reiniging van de Heilige Geest.”

— hfst. 21, p. 183

De planken van het heiligdom = gelovigen met goddelijke natuur:

“Het hout van de planken duidt op mensheid, de menselijke natuur; en het goud dat de planken bekleedt, duidt op goddelijkheid, de goddelijke natuur. […] Het goud dat de planken bekleedt, komt voort uit de ervaringen van de gouden tafel, de gouden kandelaar, het gouden reukofferaltaar en de gouden ark.”

— hfst. 21, p. 188-189

De twee tenons (noppen) = bevestiging in gemeenschap:

“Twee tenons houden hem stevig op zijn plaats. Twee betekent bevestiging. […] U en ik moeten allereerst leren dat wij slechts een half zijn; en vervolgens moeten wij nooit zelfstandig en individueel handelen zonder de bevestiging van anderen.”

— hfst. 22, p. 191


De kerk wordt niet gevormd maar geboren

Een kernstelling over de aard van de kerk:

“Wat wij ook vormen, het is niet de echte kerk. Niet één levend persoon op deze aarde door de afgelopen zesduizend jaar is gevormd; iedereen heeft een geboorte gehad en de groei van het leven. De kerk is het Lichaam van Christus, en geen menselijke hand kan haar vormen. Wij worden in het Nieuwe Testament nooit geboden of geinstrueerd de kerk te vormen.”

— hfst. 21, p. 184

“De kerk kan niet worden geformuleerd en georganiseerd, maar moet uit Christus in de Geest geboren worden; het moet de groei zijn van het leven van Christus.”

— hfst. 22, p. 194


De kerk als uitdrukking van Christus — de bedekking

De vier lagen van de tabernakelbedekking (Exo. 26:1,7,14) stellen Christus als enige bedekking voor:

“Van buitenaf kunnen mensen niets anders zien dan Christus, en van binnenuit zien zij niets anders dan Christus die in vele personen is ingewrocht.”

— hfst. 22, p. 196

“De kerk mag alleen de uitdrukking van Christus Zelf zijn. […] Niets dan de bedekking was van buitenaf te zien. Zelfs de planken…”

— hfst. 22, p. 195


Opbouw van de kerk — methode

Nee/Lee wijzen uitdrukkelijk drie onvoldoende methoden af: (1) louter onderwijs (hfst. 23, p. 206-207), (2) louter gaven — verwijzend naar de vleselijke toestand van de Korinthiërs die de gaven meer uitoefenden dan Paulus (1 Kor. 14:18-20; 1 Kor. 3) (hfst. 23, p. 207), (3) positie en organisatie (hfst. 23, p. 209).

De enige weg:

“De groei van het innerlijk leven is de zekere weg om de kerk op te bouwen. Dan zullen wij door het volwassen leven spontaan gekwalificeerd zijn om verantwoordelijkheid te dragen.”

— hfst. 23, p. 209

Concreet driedelig: “ga naar het kruis, voed u met Christus, en voed anderen met Christus.” (hfst. 24, p. 216)


Kerkregering — marginale verwijzing

Een voorbijgaande opmerking over oudsten en diakenen:

“Wanneer verantwoordelijkheid wordt gedeeld in de vergadering van oudsten of diakenen…”

— hfst. 20, p. 181

Interpretatie: De tekst behandelt hier niet het polity-model maar de houding van verantwoordelijkheid in het gemeenteleven. Geen systematische ecclesiologische behandeling van kerkregering.


Nieuwe Jeruzalem als eschatologisch ecclesiologisch perspectief

“Het Nieuwe Jeruzalem is een vermenging van God Zelf met een corporatief lichaam van mensen. Op dat moment zullen zij niet meer natuurlijk zijn, maar elk deel en elk aspect zal door God en met God als leven zijn wedergeboren, getransformeerd en gevormd.”

— hfst. 24, p. 211