De Systematische Theologie van Dr. Stephen E. Jones
Synthetisch artikel op basis van Het Jubeljaar van de Schepping (Creation’s Jubilee), Dr. Stephen E. Jones. Alle citaten zijn uitsluitend ontleend aan dit werk.
Inleiding: Jones en zijn theologische positie
Dr. Stephen E. Jones is een Amerikaanse bijbelleraar verbonden aan God’s Kingdom Ministries. Zijn werk Het Jubeljaar van de Schepping (Creation’s Jubilee, oorspronkelijk gepubliceerd in meerdere edities; 5e druk 2000) is gewijd aan “hen die geroepen worden door de bediening van verzoening, als Ambassadeurs van Christus, om de wereld het goede nieuws over het Herstel van Alle Dingen te vertellen” [b1, opdracht].
Jones vertegenwoordigt een theologie die op meerdere punten afwijkt van de westerse orthodoxie. Zijn centrale these is de apokatastasis panton — het Herstel van Alle Dingen — als het eschatologische doel van Gods soevereine plan. Deze these fundeert hij niet in een sentimenteel optimisme maar in een rigoureuze exegese van de goddelijke wet, de typologische structuur van de Bijbel, en de logica van Gods rechtvaardigheid. Jones positioneert zichzelf expliciet in de lijn van de Alexandrijnse vaders Clemens en Origenes, en beroept zich op Gregorius van Nyssa als zijn belangrijkste vroegkerkelijke bondgenoot.
Zijn theologie wordt structureel bijeengehouden door twee principes: de Hebreeuwse hermeneutische methode (tegenover de Grieks-allegorische) en de wet van het Jubeljaar als meest fundamentele wet van de schepping. Beide principes doorlopen als rode draden alle 13 theologische disciplines.
I. Prolegomena — Methode en Uitgangspunten
De Hebreeuwse hermeneutiek
Jones’ theologie begint bij een methodologische keuze. De vroegchristelijke kerk maakte in haar eerste eeuwen een fatale verschuiving door: van de Hebreeuwse-spirituele naar de Grieks-allegorische uitlegmethode.
“Dit had niet zozeer invloed op de gehele Schrift, maar meer op de interpretatie van de Schrift, of eerder hun methode van interpreteren, die bijna onmerkbaar verschoof van geestelijk naar allegorisch. In die tijd was deze verschuiving ontworpen om de Grieken in te winnen door de Schrift uit te leggen op hun eigen niveau. Maar hierdoor verloren ze iets in de vertaling.” [b1, hoofdstuk 1]
Jones bepleit een terugkeer naar de apostolische methode:
“Ik denk dat we de Griekse behoefte om alles allegorisch voor te stellen moeten loslaten, en dat we terug moeten gaan naar de gedachten, woorden en intentie van de Hebreeuwse profeten, zoals deze worden geïnterpreteerd door de schrijvers van het Nieuwe Testament, die allemaal Hebreeuws waren, met uitzondering van Lukas.” [b1, hoofdstuk 1]
Het cruciale onderscheid: de Griekse benadering maakte de historische worteling van de Bijbel overbodig (een verhaal had waarde zolang het allegorische betekenis droeg); de Hebreeuwse benadering zag de historische werkelijkheid juist als de drager van profetische betekenis:
“Het belangrijkste verschil tussen de Griekse en Hebreeuwse opvatting is dat de Grieken het nut niet inzagen van het feit dat de Bijbelse verhalen geworteld waren in de geschiedenis. Ze waren tevreden zo lang de verhalen maar een allegorische betekenis hadden. De Hebreeuwse opvatting zag in dat alle dingen geworteld waren in de geschiedenis, maar ze zagen ook in dat de geschiedenis een betekenis had en vaak een patroon zette voor toekomstige profetische vervulling.” [b1, hoofdstuk 1]
Historische allegorieën
Jones’ eigen methode beschrijft hij als het lezen van “historische allegorieën”: Bijbelse narratieven zijn tegelijkertijd historisch werkelijk én profetisch-typologisch. Hagar en Sara waren echte mensen én allegorieën van het Oude en Nieuwe Verbond [b1, hoofdstuk 1]. Deze methode onderscheidt hem van de louter letterlijke én de louter allegorische lezing.
De wet als hermeneutische sleutel
De goddelijke wet (Thora) fungeert als het primaire interpretatiekader voor de gehele Schrift:
“Hij belicht alles vanuit de goddelijke wet die geopenbaard is door God aan Mozes en die vervuld is door Christus. De principes van de wet lopen als een rode draad door het boek.” [b1, noot van de vertaler]
Drie niveaus van Schriftuitleg
Jones onderscheidt systematisch drie vervullingslagen voor profetische teksten:
- Individueel/persoonlijk — vervulling in de gelovige
- Kerkelijk/gemeenschappelijk — vervulling in het Koninkrijk van God
- Scheppingsniveau — kosmische vervulling (Herstel van Alle Dingen)
“De feestdagen van Israël zijn op drie niveaus profetisch. Niveau Een is het individuele en persoonlijke niveau. Bij dit niveau wordt het Paasfeest in ons vervuld door de rechtvaardiging in het bloed van het Lam.” [b1, hoofdstuk 6]
Epistemologisch uitgangspunt
Jones formuleert een epistemologisch principe: ware Godskennis begint bij de erkenning van Gods soevereiniteit:
“De ware kennis van God begint met het erkennen van Zijn soevereiniteit. Hoe meer we Hem kennen, hoe soevereiner Hij lijkt. Als we Hem minder goed kennen lijkt de mens soevereiner.” [b1, hoofdstuk 11]
II. Bibliologie — Schrift en Uitleg
Schrift als toetssteen
Jones hanteert impliciet het sola scriptura-principe. Hij nodigt de lezer uitdrukkelijk uit alles te toetsen aan de Bijbel (Handelingen 17:11) en verwerpt de traditie als normatieve bron [b1, noot van de vertaler].
Taalkundige exegese als instrument
Jones demonstreert herhaaldelijk de noodzaak van terugkeer naar de originele talen. Over het woord chilia (‘duizend’) in Openbaring 20:
“Chilia is een bijvoeglijk naamwoord en de grammatica eist dat het overeenstemt met het zelfstandig naamwoord (jaren) waaraan het refereert.” [b1, hoofdstuk 1]
Over het Hebreeuwse khawtaw (‘zonde’):
“Het Hebreeuwse woord voor ‘zonde’ is khawtaw. Het is vertaald als ‘zonde’ in meer dan 400 Bijbelpassages. Maar het woord betekent letterlijk ‘doel missen’ of ‘falen om een doel te bereiken’.” [b1, hoofdstuk 13]
Over het Griekse theion (‘zwavel/sulfer’):
“De zwavel is sulfer… Het originele Griekse woord voor sulfer, of ‘zwavel’, is theion. Wat afgeleid is van theo, wat hetzelfde woord is dat gewoonlijk vertaald wordt met ‘God’.” [b1, hoofdstuk 3]
Kritiek op vertalingen
Geen enkele vertaling is voor Jones gezaghebbend; het origineel (Hebreeuws/Grieks) is de norm. Waar de NBV eigen interpretaties oplegt, grijpt Jones terug op de Statenvertaling of het NBG ‘51 [b1, noot van de vertaler].
III. Godsleer — Karakter en Doel van God
Gerechtigheid als corrigerend, niet retributief
Jones’ godsvisie draait om de these dat Gods gerechtigheid fundamenteel corrigerend van aard is — niet retributief:
“Het ‘vuur’ is de goddelijke wet. Het is geen marteling of straf; het is gerechtigheid. Gods oordelen hebben een corrigerende aard. Bij God is er geen eindeloze straf zonder genade. Oordeel eindigt altijd in genade, want dit is de wet van het Jubeljaar.” [b1, hoofdstuk 3]
De “Zon van Gerechtigheid” uit Maleachi 3:20 is voor Jones dan ook geen beeld van vergelding, maar van genezing: “genezing in haar vleugels” [b1, hoofdstuk 2].
Oordelen zijn aionian, niet eeuwig
Jones voert een filologisch argument in: het Griekse aionios betekent niet ‘eeuwig’ in de absolute zin, maar ‘tijdperk-gebonden’:
“De wet van God eist het herstel van alle dingen (Handelingen 3:21). De goddelijke oordelen van God zijn niet eeuwig, zoals de mens eeuwig definieert. Zij zijn aionian, zoals de Griekse tekst ons vertelt. Zij behoren alleen maar tot een eon (aion), oftewel een tijdperk.” [b1, hoofdstuk 3]
Gods soevereiniteit en genade
Genade is bij Jones een gave van een soevereine God, en daarom onweerstaanbaar:
“Genade is een gave van een soevereine God. Hierdoor is genade onweerstaanbaar, omdat het niet van oorsprong door mensen is bedacht. Ook ligt het niet aan de basis van het vlees of de wil van de mens.” [b1, hoofdstuk 8]
Jones kritiseert het calvinisme niet vanwege zijn soevereiniteitsleer, maar vanwege de inconsistente toepassing ervan. Een soevereine God die Adams zonde collectief aanrekent, is moreel verplicht ook collectief te verlossen via Christus:
“Calvijn dacht dat God slechts enkelingen had voorbestemd om te redden en dat Hij de rest van de mensheid had uitverkoren om te verdoemen. Hij was inconsistent op de manier dat hij Gods soevereiniteit beaamde en dat God genade schenkt, maar hij onderwees hierin op een manier dat hij God afschilderde als een onrechtvaardige tiran.” [b1, hoofdstuk 8]
Gods doel: “alles in allen”
Het eschatologische einddoel van Gods plan is universele eenheid:
“Het doel van Gods oordeel is om deze metalen te herstellen en te verfijnen zodat God zelfs Zijn vijanden in Zijn schatkamer kan brengen, waardoor de dood afgeschaft wordt en Hij alles in allen zal zijn.” [b1, hoofdstuk 10]
Dit fundeert Jones in 1 Korintiërs 15:28 — “opdat God over alles en allen zal regeren.”
IV. Triniteitsleer — Economische Triniteit via Drie Tijdperken
Jones behandelt de Drie-eenheid niet als afzonderlijk leerstuk, maar als heilsgeschiedkundige structuur. De drie Israëlitische oogstfeesten (Pasen, Pinksteren, Loofhutten) corresponderen met drie stadia van Gods handelen:
“Het Paastijdperk duurde van Mozes tot Christus, dit weerspiegelt het eerste niveau van zalving, waar aan het Koninkrijk van God op relatief kleine schaal werd gewerkt in het Huis van Israël. Met de pinksterdag in Handelingen 2 begon het Pinkstertijdperk met een grotere openbaring van de macht van de Heilige Geest… Maar zelfs Paulus bekende tot drie keer toe dat dit slechts maar een ONDERPAND van de Geest was, een voorschot van iets beters wat nog moest komen. Hij keek uit naar een Loofhuttentijdperk, waarin de VOLHEID van de Geest uitgeschonken zou worden.” [b1]
Progressieve inwoning van de Heilige Geest
De drie tijdperken corresponderen met drie stadia van de inwoning van de Geest:
- Paastijdperk: de Geest bij de mensen
- Pinkstertijdperk: de Geest in de mensen (als onderpand)
- Loofhuttentijdperk: de Geest in zijn volheid in alle mensen
Verhouding Vader en Zoon in de eschatologie
Jones citeert 1 Korintiërs 15:24–28 als de sleuteltekst voor de uiteindelijke verhouding van Vader en Zoon:
“En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft… En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.” [b1, hoofdstuk 5]
De heerschappij van de Zoon is teleologisch bepaald: zij eindigt wanneer haar doel is bereikt. Daarna draagt de Zoon het Koninkrijk over aan de Vader:
“Jezus zal NIET voor altijd als de Zoon regeren. Hij zal alleen regeren naar gelang het duurt om de gehele aarde onder Zijn voeten te onderwerpen.” [b1]
V. Angelologie — Satan en Geestelijke Wezens
Satan door God geschapen
Jones verwerpt de theorie van de gevallen engel als primaire verklaring voor Satans oorsprong:
“Het lijkt mij dat de theorie over de gevallen engelen meer problemen creëert dan het oplost.” [b1]
In plaats daarvan verdedigt hij Gods soevereiniteit over Satan: ongeacht de precieze aard van Satan, is hij door God geschapen [b1]. Een Satan die volledig autonoom zou rebelleren, zou Gods soevereiniteit aantasten.
Ezechiël 28 handelt over Adam, niet Satan
Jones keert zich tegen de gangbare exegese van Ezechiël 28 als betrekking op Satan. De “gezalfde cherub” in die passage is Adam:
“Adam was volmaakt op de dag toen hij gemaakt werd… God had ook Adam de heerschappij over de hele aarde gegeven – vandaar dat hij de ‘gezalfde, overdekkende cherub’ was.” [b1]
Satan handelt alleen met Gods toestemming
Satan is voor Jones geen onafhankelijke macht maar een instrument in Gods hand:
“God was verantwoordelijk voor al dit kwaad dat hem [Job] overkomen was. Job schreef het kwaad toe aan God – NIET aan Satan – en hierdoor zondigde hij toch NIET. Satan was slechts Gods instrument om te oordelen of te testen, hij was geen onafhankelijke god die buiten de controle van God om opereerde.” [b1]
Satan verzoend maar niet gerechtvaardigd
Jones maakt een cruciale onderscheiding: Satan zal worden verzoend (Kolossenzen 1:20 spreekt van “alle dingen” in hemel en op aarde), maar niet gerechtvaardigd of gered. Het bloed van Jezus wordt nooit op Satan van toepassing verklaard [b1, hoofdstuk 12]. De verzoening van Satan verloopt via een andere weg dan die van de mens.
VI. Schepping — Theodicee en het Jubeljaar
Het jubeljaar als meest fundamentele wet van de schepping
De wet van het Jubeljaar is voor Jones niet alleen een oud-israëlitisch sociaal instituut, maar de meest fundamentele wet van het universum:
“Zelfs met Jezus Christus als centrale Persoon in de gehele geschiedenis is de wet van het Jubeljaar de meest fundamentele wet van de gehele schepping. De wet van het Jubeljaar is de basis voor vergeving en genade. Het is de instelling en het doel van de wet zelf.” [b1, hoofdstuk 7]
Gods juridische aansprakelijkheid
Jones beargumenteert via drie wetsprincipes uit de Tora (de rund in de put, de balustrade op het dak, het nuttigen van het land) dat God Zichzelf juridisch aansprakelijk heeft gesteld voor de val van de schepping:
“God groef als eerste een put, want hij creëerde een kans voor Adam om te zondigen. God dekte deze put niet af… Dat maakte God juridisch aansprakelijk door Zijn eigen wet en creëerde hierdoor een ‘spanning’ die een oplossing eiste.” [b1, hoofdstuk 13]
De spanning in de schepping als “tijdelijk onrecht”
Dit juridische argument leidt tot de erkenning dat Gods onderwerping van de schepping aan zinloosheid (Rm. 8:20) een bewust ingezet “tijdelijk onrecht” is:
“In de zoektocht naar de wijze waarop God de zonde van Adam toerekent aan zijn nakomelingen… aarzelen wij niet om Gods wijze een actie te noemen van ‘tijdelijk onrecht’. Het is de directe oorzaak van de spanning in de geschiedenis van de schepping.” [b1, hoofdstuk 13]
Zoals dissonantie in muziek om een akkoord vraagt, vraagt de theologische spanning om een universele oplossing:
“Universele verzoening is Gods definitieve oplossing voor de spanning in de schepping als gevolg van het ‘tijdelijke onrecht’ dat Hij zelf heeft ingesteld.” [b1, hoofdstuk 13]
VII. Antropologie — De Mens als Gods Woonplaats
Adam als type van Christus
De Adam-Christus parallel (Rm. 5; 1 Kor. 15) is het structurerende principe van Jones’ antropologie. Wat Adam universeel heeft veroorzaakt (dood/sterfelijkheid), keert Christus universeel om:
“Vers 22: Het is duidelijk dat de gehele mensheid (allen) in Adam sterft – zonder uitzonderingen. Op dezelfde manier zal ook iedereen (allen) levend gemaakt worden in Christus – zonder uitzonderingen.” [b1, hoofdstuk 5]
Sterfelijkheid, geen zondige natuur
Jones’ meest onderscheidende antropologische these: de erfzonde geeft de mens sterfelijkheid, geen zondige natuur. Dit is zijn correctie op Augustinus en Hiëronymus:
“De mens heeft geen zondige natuur geërfd van Adam. Hij heeft slechts de aansprakelijkheid voor Adams zonde geërfd. De reden dat we sterfelijk zijn is omdat we aansprakelijk zijn voor de zonde die Adam deed.” [b1, hoofdstuk 9]
De causale volgorde is omgekeerd ten opzichte van de traditionele erfzondeleer:
“We zijn niet sterfelijk omdat we zondigen. We zondigen omdat we sterfelijk zijn.” [b1, hoofdstuk 9]
De mens als Gods eigendom en woonplaats
De menselijke waardigheid wordt gegrond in Gods eigendomsrecht: de mens is Gods land, Zijn erfenis, Zijn tempel:
“Adam is gevormd uit stof, uit aarde (Genesis 2:7). De mens is een onderdeel van Gods schepping en landerfenis. Het was Gods bedoeling om een huis te bouwen voor Hemzelf op aarde, en dit huis is de mens.” [b1, hoofdstuk 7]
Dit eigendom kan tijdelijk worden verkocht (zonde) maar nooit permanent vervreemd worden — het keert altijd terug in het Jubeljaar:
“Met andere woorden, niemand kan zo een grote zondaar zijn dat hij niet vrijgemaakt kan worden in het Jubeljaar.” [b1, hoofdstuk 7]
VIII. Hamartologie — Zonde, Schuld en Herstel
Zonde als “doel missen”
Jones definieert zonde etymologisch als het falen om een doel te bereiken:
“Het Hebreeuwse woord voor ‘zonde’ is khawtaw… het woord betekent letterlijk ‘doel missen’ of ‘falen om een doel te bereiken’. In morele zin is het doel of de standaard de goddelijke Wet (1 Johannes 3:4). Elke overtreding van de wet is ‘zonde’, omdat de wet de standaard is voor Gods gerechtigheid.” [b1, hoofdstuk 13]
Schuld als juridisch-financieel concept
Zonde is voor Jones niet primair een gemoedstoestand, maar een juridische werkelijkheid. Het Bijbelse rechtssysteem kent geen gevangenis maar restitutie:
“De wet van God veroordeelt niemand naar de gevangenis, maar de straf bestaat uit het terugbetalen van de schuld.” [b1, hoofdstuk 7]
De maximale straf is de dood — niet eeuwige kwelling:
“Paulus zegt in Romeinen 6:23: ‘Het loon van de zonde is de dood.’ Iedereen die de goddelijke wet bestudeerd zal zien dat de dood de hoogste en ergste straf is die gegeven kan worden.” [b1, hoofdstuk 2]
Twee soorten zonde en twee soorten dood
Jones onderscheidt Adams zonde (eerste dood: sterfelijkheid) van de individuele zonden van mensen (tweede dood: vuurpoel):
“De straf op Adams zonde is de eerste dood; Gods oordeel, wettig herstel en discipline voor onze eigen zonden is de tweede dood.” [b1, hoofdstuk 9]
Het jubeljaar als kwijtschelding van alle schuld
De wet van het Jubeljaar stelt een absolute limiet aan zondeschuld:
“De wet van het Jubeljaar eist een einde van alle aansprakelijkheid voor zonde (schuld) op een bepaald punt in de toekomst. De wet van het Jubeljaar eist dat alle schulden opgeheven worden aan het einde van het laatste tijdperk.” [b1, hoofdstuk 7]
IX. Christologie — Christus als Jubileumsverlosser
Christus als Tweede Adam
De incarnatie is de spiegeling van Adams val. De parallelle structuur van “allen in Adam”/“allen in Christus” (1 Kor. 15:22; Rm. 5:18–19) is het logische hart van Jones’ universalisme:
“Als de zonde van Adam alle mensen beïnvloedde en de rechtvaardige daad van Jezus slechts enkele mensen, dan kan Jezus nauwelijks met Adam worden vergeleken. Natuurlijk is de macht van Adam niet groter dan die van Jezus.” [b1, hoofdstuk 5]
Christus als naaste bloedverwant — de wet van de losser
De incarnatie heeft een juridische noodzaak: alleen een naaste bloedverwant heeft het recht om vrij te kopen:
“Jezus kwam naar de aarde om Zijn mensen te verlossen, af te kopen (Luk. 1:68). Hij kwam niet als engel, maar als een mens, specifiek uit het geslacht van Abraham. Hij deed dit om volgens de wet het recht te hebben om verlossing teweeg te brengen.” [b1]
Christus als universele Heer
Via Johannes 12:32–33 (“wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen”) betoogt Jones dat de kruisiging de basis legt voor universele verlossing:
“Dan zal Hij inderdaad ALLE MENSEN naar zichzelf trekken. Hij stierf voor de redding van de gehele wereld, niet alleen voor enkelingen, en Zijn bloed heeft nooit zijn macht verloren.” [b1, hoofdstuk 5]
Christus’ regeertijd is teleologisch bepaald
De heerschappij van Christus eindigt wanneer haar doel is bereikt — overdracht van het Koninkrijk aan de Vader (1 Kor. 15:24–28):
“Wanneer alle mensen Christus als Verlosser en Koning hebben aangenomen, zoals de gelovigen dit in vroegere tijden hebben gedaan, zal Hij een volmaakt en voltooid Koninkrijk aan Zijn Vader voorstellen.” [b1]
X. Soteriologie — Apokatastasis en de Derde Weg
De centrale these: apokatastasis
Het boek is opengesteld als een werk voor hen die het goede nieuws van het “Herstel van Alle Dingen” (apokatastasis panton, Handelingen 3:21) willen verkondigen [b1, opdracht]. Dit is Jones’ soteriologische grondselling.
Rechtvaardiging als toerekening
Jones sluit aan bij de reformatorische toerekeningsleer maar trekt hieruit universele conclusies. Parallel aan Adams zonde, die collectief werd aangerekend, wordt Jezus’ gerechtigheid evenzeer collectief aangerekend:
“Wij zijn niet sterfelijk omdat WIJ gezondigd hebben; wij zijn sterfelijk omdat Adam gezondigd heeft en zijn zonde werd toegeschreven aan ons. Door hetzelfde proces is de rechtvaardiging van Jezus een handeling die buiten ons plaatsvindt, maar die wel aan ons wordt toegeschreven.” [b1, hoofdstuk 5]
Verkiezing als temporele prioriteit
Jones accepteert predestinatie maar interpreteert die als het bepalen van volgorde (wie eerst gered wordt), niet van exclusie (wie al dan niet gered wordt):
“God heeft bepaalde mensen voorbestemd om als EERSTE gered te worden. De anderen zijn voorbestemd om DAARNA gered te worden.” [b1, hoofdstuk 11]
Verkiezing is een ambtsvervulling, niet een garantie van exclusieve redding:
“Gods idee van verkiezing heeft nooit de intentie gehad om een exclusieve redding te zijn in het voordeel van slechts een paar mensen. Verkiezing… is een onderdeel van Gods regering, een hiërarchie van verschillende gezagniveaus op aarde.” [b1, hoofdstuk 8]
De derde weg: noch Calvijn, noch Arminius
Jones neemt bewust een positie in die zowel het calvinisme als het arminianisme overstijgt. Het Calvinisme erkent de soevereiniteit van God maar verbindt die met een beperkte verkiezing die Jones moreel inconsistent acht. Het Arminianisme reageert correct op de onrechtvaardigheid van een tirannieke God, maar biedt de verkeerde oplossing (vrije wil):
“Eerst werden ze misleid door te denken dat de ‘hel’ eindeloos is in plaats van tijdperkgebonden (aeonian); en vervolgens moeten ze Paulus’ woorden in Romeinen 9 verdraaien om deze fout goed te praten.” [b1, hoofdstuk 11]
Jones’ oplossing: predestinatie is reëel, leidt echter tot universele verlossing via temporele gelaagdheid.
XI. Pneumatologie — De Heilige Geest in Drie Tijdperken
Geest als onderpand, niet als volheid
De centrale pneumatologische stelling van Jones: de Kerk heeft bij Pinksteren slechts een onderpand of voorschot van de Geest ontvangen. De volheid van de Geest wacht op het Loofhuttentijdperk:
“Zelfs Paulus bekende tot drie keer toe dat dit slechts maar een ONDERPAND van de Geest was, een voorschot van iets beters wat nog moest komen.” [b1]
Drie stadia: bij, in, volledig
De heilshistorische boog van de Geest:
- Paastijdperk: de Geest bij de mensen, niet in hen
- Pinkstertijdperk: de Geest in de mensen, maar als onderpand (Ef. 1:13–14)
- Loofhuttentijdperk: de Geest in zijn volheid in alle mensen — “God alles in allen”
Pinksteren als heiliging
Jezus zendt de Geest als zijn verlengde aanwezigheid:
“Net zoals Mozes de berg beklom om de goddelijke wet te ontvangen als gave voor de mensheid, zo ook klom Jezus Christus op tot in de hemel om terug te keren in de vorm van de Heilige Geest om zodoende gaven te schenken aan de mensheid. Hij kwam om Zijn wet in ons hart te schrijven.” [b1]
De Geest als reinigend vuur voor de hele schepping
De vuurpoel is voor Jones niet een instrument van eeuwige marteling maar van eschatologische reiniging via de Heilige Geest:
“Door oordeel (de Vloed) verdween de Heilige Geest van de aarde; en door oordeel (de Vuurpoel) zal de Heilige Geest opnieuw worden uitgeschonken over alle vlees (de mensheid).” [b1]
XII. Ecclesiologie — Drie Kerken en de Overwinnaars
Drie historische kerken
Jones onderscheidt drie tijdperken van de kerk, corresponderend met de drie oogstfeesten:
- Kerk van het Paastijdperk (Mozes tot Christus) — de Geest bij de mensen; de “kerk in de woestijn”
- Kerk van het Pinkstertijdperk (Handelingen 2 tot heden) — de Geest in de mensen; tempel van God
- Kerk van het Loofhuttentijdperk (toekomstig) — de Geest in zijn volheid; de volmaakte overwinning
“De derde Kerk is de Kerk van het Loofhuttentijdperk. Aan het begin van dit tijdperk zal God Zijn Geest in al Zijn volheid uitschenken over de overwinnaars. Zij zullen met macht op aarde heersen en alle dingen onder de voeten van Jezus Christus brengen.” [b1, hoofdstuk 6]
Gerst vs. tarwe — overwinnaars vs. algemene kerk
Jones maakt een centraal onderscheid tussen twee groepen gelovigen:
- Gerst (eerstelingen, overwinnaars) — vroeg rijpend, eerste opstanding, regeren met Christus
- Tarwe (algemene kerk) — met zuurdesem (zonde) gemengd, tweede opstanding, Oordeel van de Grote Witte Troon
“Degenen die Christus toebehoren, de algemene Kerk, zullen de tweede opstanding beërven… de twee tarwebroden, die aan God werden geofferd, eerst werden gebakken met zuurdesem. Waar olie duidt op de Heilige Geest, duidt zuurdesem op zonde.” [b1, hoofdstuk 6]
De kerk in het Pinkstertijdperk is onvolmaakt
Jones beschrijft de huidige kerk als inherent onvolmaakt vanwege het onderpandkarakter van de Geest:
“We nu leven in een tijdperk van zuurdesem, een tijdperk met een onvolmaakt koninkrijk van priesters die de volheid niet hebben om het koninkrijk tot volmaaktheid te brengen.” [b1, hoofdstuk 6]
XIII. Eschatologie — Premillennialistisch Universalisme
Letterlijk millennium
Jones verdedigt een letterlijk duizendjarig rijk op exegetische gronden. Het Griekse chilia in Openbaring 20 is grammaticaal alleen als enkelvoud correct te vertalen [b1, hoofdstuk 1]. De vroegste kerkleiders steunden dit standpunt (Epistel van Barnabas, ca. 115 n.Chr.); Origenes en Augustinus verwierpen het millennium op basis van hun Grieks-allegorische methode.
Drie klassen van opstanding
Parallel aan de drie oogstfeesten onderscheidt Jones drie opstandingseenheden (1 Kor. 15:23):
- Gerst-eerstelingen (eerste opstanding, aan het begin van het millennium)
- Tarwe-kerk (tweede opstanding, na het millennium, bij het Oordeel van de Grote Witte Troon)
- Allen overigen (bij het grote Jubeljaar van de Schepping)
“Net zoals in Adam de hele mensheid stierf zo zal in Christus, de Tweede Adam, de hele mensheid levend gemaakt worden — maar niet allemaal tegelijk. Sommigen zullen levend gemaakt worden bij de eerste opstanding, anderen bij de algemene opstanding, maar alle anderen bij de grote Jubeljaar van de Schepping.” [b1]
De vuurpoel als zuivering, niet eeuwige marteling
De vuurpoel is voor Jones het eschatologische equivalent van de vloed: een oordeel met een reinigend doel:
“De vloed was de doop van de aarde met water; de vuurpoel zal de doop van de aarde zijn met vuur. Beiden hebben het doel om te reinigen en te zuiveren.” [b1]
Nieuwe hemel en nieuwe aarde
De schepping wordt niet vernietigd maar gereformeerd:
“Het concept van het herstel van alle dingen betekent niet dat de aarde zal worden vernietigd zoals zo velen vandaag prediken. De aarde is met een doel geschapen en aan dat doel zal worden voldaan… Het vuur dat over de aarde komen zal is de doop met de Heilige Geest die de aarde zal reinigen en de hele schepping in harmonie zal brengen met de doelstelling van God.” [b1, hoofdstuk 13]
Het laatste Jubeljaar van de Schepping
Het einddoel is de kosmische vervulling van het jubeljaarprincipe:
“Dit is werkelijk een geweldig lot voor de aarde. Dit is het Jubeljaar van de Schepping.” [b1]
XIV. Dwarsverbanden en Thematische Lijnen
Rode draad 1: De wet als coherentieprincipe
De goddelijke wet is het bindweefsel van Jones’ hele theologie. De wet definieert wat zonde is (hamartologie), regelt schuld en restitutie (soteriologie), bepaalt de aansprakelijkheid van God zelf voor de staat van de schepping (theodicee), en legt via de losserwet de grondslag voor de incarnatie (christologie). Het Jubeljaar — als de meest fundamentele wet van de schepping — verbindt vergeving, bevrijding, herstel en kosmische voltooiing in één principe.
Rode draad 2: De Adam-Christus symmetrie
De symmetrie van “allen in Adam”/“allen in Christus” doorkruist alle disciplines. In de antropologie: wat Adam gaf (sterfelijkheid), treft allen. In de christologie: wat Christus geeft (leven), geldt evenzeer allen. In de soteriologie: de logica van collectieve toerekening dwingt tot collectieve verlossing. In de eschatologie: de eerste opstanding en het laatste jubeljaar zijn de tweetrapsraketten van dit universele herstel.
Rode draad 3: Drie tijdperken als heilshistorische as
De drievoudige feestenstructuur (Pasen–Pinksteren–Loofhutten) doorkruist de triniteitsleer (drie stadia van de Geest), de ecclesiologie (drie kerken), de pneumatologie (bij–in–volledig), de eschatologie (rechtvaardiging–heiliging–verheerlijking), en de soteriologie (eersten–later–allen). Dit is niet een marginale typologische exercitie maar het ordenende schema van Jones’ gehele heilsgeschiedkundig betoog.
Rode draad 4: Soevereiniteit en gerechtigheid als onscheidbaar paar
Jones’ kern-argument is: Gods soevereiniteit is niet in tegenspraak met maar vereist de universele verzoening. Juist omdat God soeverein handelt in het toerekenen van Adams zonde aan allen, is Hij moreel verplicht Christus’ gerechtigheid evenzeer aan allen toe te rekenen. Genade is onweerstaanbaar omdat God soeverein is, en dit soevereiniteitsbeginsel leidt niet — zoals bij Calvijn — tot beperkte verkiezing, maar tot universele verlossing via tijdperken.
Rode draad 5: Apokatastasis als theodicee-oplossing
De spanning in de schepping (Rm. 8:19–22) is voor Jones niet slechts een theologisch gegeven maar een juridische werkelijkheid die om oplossing vraagt. God heeft zichzelf via drie wetten uit de Tora juridisch aansprakelijk gesteld voor die spanning. Universele verzoening is de enige oplossing die recht doet aan die juridische spanning:
“Universele verzoening is Gods definitieve oplossing voor de spanning in de schepping… Geen andere oplossing is voldoende om de spanning, die hij op de schepping legde door het te onderwerpen aan zinloosheid, op te heffen.” [b1, hoofdstuk 13]
Slotbeschouwing
De systematische theologie van Stephen Jones laat zich het best lezen als een poging om de soevereiniteit van God, de gerechtigheid van Gods wet, en de universaliteit van Gods verlossende plan in één coherent kader samen te denken. Zijn kernstelling is dat de traditionele leer van de eeuwige straf onverenigbaar is met de drie fundamenten die hij legt: de wet (die geen eeuwige marteling kent, alleen de dood als maximale straf), de Hebreeuwse hermeneutiek (die aionios als tijdperkgebonden leest), en de soevereiniteit van God (die een collectieve aanrekening van Adams zonde impliceert én een collectieve verzoening via Christus verplicht).
Jones plaatst zich bewust in de lijn van Clemens van Alexandrië, Origenes en Gregorius van Nyssa — de theologen die door de kerkhistorie heen de apokatastasis hebben verdedigd — en neemt stelling tegen de Latijnse traditie (Tertullianus, Augustinus) die het aloude dogma van de eeuwige straf vestigde. Zijn werk is een pleidooi voor de herontdekking van het “goede nieuws van het Herstel van Alle Dingen” als de kern van het christelijk evangelie.
Bronnen: alle citaten zijn afkomstig uit [b1] Het Jubeljaar van de Schepping (Creation’s Jubilee), Dr. Stephen E. Jones, vertaling Remmer Remmers (Berea-Studies, 2010). Geen trainingskennis is als inhoud gebruikt. Elke claim is direct ontleend aan de dossiers aangemaakt uit deze bron.