Schepping — Dr. Stephen E. Jones

Inleiding: het herstel van alle dingen als overkoepelend doel

De scheppingstheologie van Dr. Stephen E. Jones is niet een zelfstandige locus binnen een breder dogmatisch systeem — zij is de dragende structuur van zijn hele heilsgeschiedkundige denken. Het vertrekpunt is de opdracht waarmee hij zijn hoofdwerk opent: het boek is gewijd “aan hen die geroepen worden door de bediening van verzoening, als Ambassadeurs van Christus, om de wereld het goede nieuws over het Herstel van Alle Dingen te vertellen.” [b1] Het herstel van de schepping is daarmee niet een randthema maar — in Jones’ eigen woorden — “Gods overkoepelende doel met de geschiedenis.” [b1]

Twee bronnen vormen de basis van dit artikel: Het Jubeljaar van de Schepping (Creation’s Jubilee, 5e druk 2000) [b1] en Het Herstel van alle dingen (Berea-Studies, vertaling Remmer Remmers) [b2]. Beide zijn van de hand van Jones zelf; samen bieden zij een systematische uiteenzetting van zijn scheppingsleer.


1. De schepping als goed: weerlegging van het dualisme

Het fundament van Jones’ scheppingsleer is de Bijbelse verklaring dat God de schepping goed heeft geschapen. Hij citeert Gen. 1:31 als de normerende tekst: “Toen God alle dingen schiep noemde Hij het ‘goed’ in elke stadia van schepping en vervolgens aan het einde ‘zeer goed’.” [b2] Zonde is geen constitutief element van de schepping, maar een “latere invasie.” [b2]

Uit dit misverstand — dat het kwaad inherent zou zijn aan de schepping en materie als zodanig slecht zou zijn — zijn historisch dualistisch-gnostische theologieën voortgekomen, die “goed en slecht, licht en duisternis, geest en materie voor eeuwig elkaars tegenpolen” veronderstelden en de logica van de heilsgeschiedenis reduceerden tot “het scheiden van twee tegenovergestelde koninkrijken.” [b2] Jones verwerpt deze conclusie. De tegenstelling tussen goed en kwaad is tijdelijk, niet eeuwig, en Gods eed in Jes. 45 bevestigt dit: “Zijn belofte in Jesaja 45 is niet gebaseerd op voorwaarden. Het is simpelweg een verklaring van wat God doet vanwege Zijn eigen wil.” [b2] Evenals Gods eed in Num. 14:21: “De ganse aarde zal met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden.” [b2]


2. Het heersersmandaat: van Adam tot Christus (Gen. 1:26-28)

Aan de goede schepping is van het begin af een mandaat verbonden. Gen. 1:26 geeft de mens heerschappij “over de vissen der zee, over het gevogelte des hemels, over het vee, en over de gehele aarde.” [b2] Jones beschrijft dit als het Heersersmandaat: de mens ontvangt autoriteit om te heersen onder Gods soevereiniteit. [b2]

Dit mandaat loopt als de Bijbelse rode draad door de heilsgeschiedenis. “De Bijbel focust zich voornamelijk op de geschiedenis van het Geboorterecht, dat oorspronkelijk bestond uit het Heersersmandaat — het recht om de aarde te regeren dat was doorgegeven van Adam tot opvolgende generaties.” [b2] Aan Adam was geen beperkt territoriaal mandaat gegeven: “Aan Adam was een universele heerschappij gegeven en niet alleen maar een kleine tuin ergens in het Midden-Oosten.” [b2]

Het mandaat culmineert in Jezus Christus. Hebreeën 2:7-9 citeert Psalm 8 — een tekst die op Adams heerschappij over de aarde slaat — en past deze op Christus toe: “Alle dingen zijn onderworpen aan Hem… bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij NIETS uitgezonderd, dat hem NIET onderworpen zou zijn.” [b2] Herstel van de schepping is daarmee niets anders dan de terugkeer naar de goede orde van Genesis 1.


3. De val: inversie van het mandaat

Wanneer Adam zondigt, keert het mandaat zich tegen hem om. “Terugkomend op ons oorspronkelijke onderwerp verloor Adam zijn autoriteit over de aarde door de zonde, waardoor de aarde autoriteit kreeg over hem.” [b2] Zijn juridische status als schuldenaar heeft bovendien gevolgen voor zijn gehele “landgoed”: “Door de zonde werd de mens schuldenaar in de ogen van de wet en daarom werd hij ‘verkocht’ in slavernij als ‘slaaf van de zonde’. Samen met hem werd ook zijn vrouw, kinderen en zijn gehele landgoed, dat de aarde was, verkocht.” [b2]

Jones plaatst dit mechanisme onder de Wet van Leiderschap: “De beslissingen van iemand met gezag hebben invloed op degenen onder hem, zowel ten goede als ten kwade.” [b2] De gevolgen van Adams val reiken dan ook kosmisch: “Zoals de zonde van Adam de dood bracht over ALLE mensen en de schepping aan zinloosheid heeft onderworpen (Rom. 8:20), zo bracht de rechtvaardigheid van Christus ALLE mensen het leven en bevrijdde hij de hele schepping.” [b2]


4. Theodicee: de spanning in de schepping (Rom. 8:19-22)

De gevallen staat van de schepping roept de fundamentele theodiceevraag op. Jones opent zijn theodicee-hoofdstuk met Paulus’ kosmologische beschrijving van de scheppingsspanning in Rom. 8:19-22: de schepping zucht en lijdt als in barensweeën, is “ten prooi aan zinloosheid” — maar niet zonder hoop. [b1]

Cruciaal voor Jones’ interpretatie is dat Paulus de schepping van iedere eigen verantwoordelijkheid vrijspreekt: “Paulus maakt duidelijk dat het schepsel geen keuze had om onderworpen te worden aan ‘zinloosheid’ en de ‘slavernij van de vergankelijkheid’. Het werd gedaan door de soevereine wil van God alleen.” [b1] De spanning in de schepping is geen gevolg van een onvoorziene val, maar van Gods bewuste beslissing.

Dit is wat Jones een “tijdelijk onrecht” noemt: “Wij aarzelen niet om Gods wijze een actie te noemen van ‘tijdelijk onrecht’. Het is de directe oorzaak van de spanning in de geschiedenis van de schepping.” [b1] De spanning heeft echter een doel — zij heeft de structuur van een muzikale dissonantie: “God heeft ook deze techniek binnen de sferen van de geschiedenis toegepast… De disharmonie en onrecht zijn slechts tijdelijk. Paulus zegt in feite dat het onrecht, dat de spanning veroorzaakt, MEER DAN GECOMPENSEERD zal worden wanneer het slotakkoord van de geschiedenis zal luiden.” [b1]

Gods doel met dit tijdelijk onrecht is de openbaring van genade en rechtvaardigheid: “God schiep Zijn eigen doel: het universum scheppen, het toelaten dat de mens viel in de dood en de zonde, om vervolgens Zijn schepping met rechtvaardigheid en genade te verzoenen. Om ons rechtvaardigheid te leren was het noodzakelijk voor de mens om in de zonde te vallen. Om de genade te implementeren had God zondaars nodig als voorwerpen van genade.” [b1]


5. Gods juridische aansprakelijkheid voor de staat van de schepping

Jones gaat verder dan een eenvoudige theodicee: hij beargumenteert dat God door de wet van Mozes Zelf juridisch aansprakelijk is voor de staat van de schepping. Hij gebruikt drie Toraprincipes als bewijs:

De rund in de put (Ex. 21:33-34). Zoals een man aansprakelijk is als zijn put een andermans dier verwondt, zo is God aansprakelijk omdat Hij de put groef (de mogelijkheid tot zonde schiep) en Adam (de rund) niet beschermde: “God creëerde de mogelijkheid voor Adam om in de put te vallen. Dat maakte God juridisch aansprakelijk door Zijn eigen wet en creëerde hierdoor een ‘spanning’ die een oplossing eiste.” [b1] En: “God vaardigde deze wet opzettelijk uit om Zichzelf verantwoordelijk te maken, zodat Hij de wet kon vervullen en de spanning in de schepping kan oplossen bij het laatste Jubeljaar.” [b1]

De balustrade op het dak (Deut. 22:8). Wie de verplichte veiligheidsmaatregel op zijn dak weglaat en iemand valt, draagt aansprakelijkheid. God liet de verleider toe en beschermde Adam niet: “God weerhield de balustrade van het dak… God werd aansprakelijk met als resultaat de spanning. Deze aansprakelijkheid zou moeten duren tot de dood van de Hogepriester. Jezus moest komen als de ware Hogepriester van de tempel in de hemel.” [b1]

Het nuttigen van het land (Ex. 22:4). Wie toelaat dat zijn dier in andermans akker vreet, moet het beste van zijn eigen akker als vergoeding geven. God stond toe dat de slang in de akker der mensheid graasde; als compensatie gaf Hij het beste van Zijn eigen akker: “Hier was sprake van een tijdelijk onrecht, een spanning die moest worden opgelost. God eert en handhaaft Zijn eigen wetten van aansprakelijkheid en daarom werd ‘het beste van Zijn akker (Jezus) aan de mens gegeven als vergoeding.‘” [b1]


6. Het jubeljaar als meest fundamentele wet van de schepping

Het begrippelijke hart van Jones’ scheppingsleer is de jubileuswet. “Zelfs met Jezus Christus als centrale Persoon in de gehele geschiedenis is de wet van het Jubeljaar de meest fundamentele wet van de gehele schepping. De wet van het Jubeljaar is de basis voor vergeving en genade.” [b1]

De jubeleumswet typeert de schepping op profetisch niveau: niemand kon zijn geërfd land permanent verliezen; elk vijftigste jaar keerde alles terug naar de oorspronkelijke bezitter. Dit is een kosmisch profetie: bij het laatste Jubeljaar keert de schepping terug naar haar Schepper. [b1]

Uit Het Herstel van alle dingen werkt Jones dit verder uit als juridische begrenzing van het oordeel. Het jubeljaar stelt een maximum op straf: “De wet van het Jubeljaar limiteert de tijd van slavernij en onterving tot een maximum van 49 jaar. Dit is de genade van de wet van het Jubeljaar. De gerechtigheid van God omvat geen eindeloze straf.” [b2] Het jubeljaar annuleert aan het eind van de oordeelstijd alle resterende schulden: “Aan het einde van zeven sabbatsjaren werd het Jubeljaar uitgeroepen en werden alle resterende schulden geannuleerd, dit alles enkel en alleen uit genade.” [b2]

Jones noemt het jubeljaar het eerste van vijf Bijbelse bewijzen voor universeel herstel: “Ten eerste is er een wet van het Jubeljaar, waarbij alle schulden (zonden) aan het einde van de oordeelstijd geannuleerd worden.” [b2] En verbindt het expliciet aan Rom. 8:21: ook de ongelovigen “zullen na de voltooiing van hun oordeelstijd delen in de vrijheid en luister van Gods kinderen.” [b2]


7. Christus als Bloedverwant-Verlosser van de schepping

De verlossing van de schepping volgt de Bijbelse wet van de naaste bloedverwant (gö’el). Christus, als laatste Adam, heeft zowel het recht als de middelen als de wil om de hele schepping te verlossen.

Het recht: Adams val had zijn gehele “landgoed” (de aarde) in slavernij gebracht. Een bloedverwant-verlosser moest de rechtstitel bezitten en de prijs kunnen betalen. Jezus verloste als naastverwant “niet alleen Adam, maar ook zijn vrouw en kinderen (afstammelingen) en het gehele landgoed (de schepping). Alles dat verloren was in Adam is verlost in Christus.” [b2]

De middelen: “Hij kocht en verkreeg het goddelijke recht op het heerserschap dat Adam had verloren.” [b2]

De wil: Kol. 1:16-20 geeft het antwoord op de vraag of Christus de hele schepping wilde verlossen: “In hem is alles geschapen… en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.” [b2] Jones concludeert: “Alle dingen zijn VOOR HEM geschapen en omdat Hij alles verloste wat verloren was in Adam zullen alle dingen voor zeker aan Hem gegeven worden aan het einde.” [b2]


8. Het Noach-verbond: Gods eerste expliciete scheppingsverbond

Het Noach-verbond is voor Jones het Bijbelse fundament van de reikwijdte van Gods reddend handelen. Het verbond is niet slechts met mensen gesloten: “Dit verbond is niet alleen met Noach en zijn zonen opgesteld, maar ook met de vogels, het vee en de wilde dieren… Deze vier categorieën van levende wezens vertegenwoordigen de hele aarde. Het bereik van dit verbond is uitgelegd in vers 15, namelijk ‘tussen alle levende ziel van alle vlees.‘” [b2]

Dit verbond stelt het bereik van Gods plan definitief vast: “Het verbond met Noach is het eerste verbond in de Bijbel en stelt het bereik van Gods plan voor de hele aarde vast. Het is het verbond van het Herstel van Alle Dingen, want het is het verbond met alle levende ziel van alle vlees.” [b2]


9. Universele verzoening als enige toereikende oplossing

De spanning in de schepping vraagt om een oplossing die recht doet aan de juridische aansprakelijkheid die God Zelf heeft aanvaard. Jones is categorisch: “Universele verzoening is Gods definitieve oplossing voor de spanning in de schepping als gevolg van het ‘tijdelijke onrecht’ dat Hij zelf heeft ingesteld… Het Bijbelse verslag laat ons geen andere mogelijkheid dan om God te rechtvaardigen door de universele verzoening. Geen andere oplossing is voldoende om de spanning, die hij op de schepping legde door het te onderwerpen aan zinloosheid, op te heffen.” [b1]

De nieuwe schepping op het individuele niveau (2 Kor. 5:17 — “iemand die één met Christus is, is een nieuwe schepping”) [b1] is de voorbode van en deelhebber aan de kosmische nieuwe schepping. De bediening van verzoening is in Jones’ theologie dan ook het uitdragen van het evangelie van het kosmisch Herstel van Alle Dingen. [b1]


10. Eschatologisch eindpunt: de lof van heel de schepping (Op. 5:13)

Het eindpunt van de scheppingsgeschiedenis is voor Jones de scene van Openbaring 5:13, die hij als de eschatologische bekroning van het Noach-verbond leest:

“En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.” [b2]

Evenals klassieke uitleggers die de universele verzoening verwerpen, worden door de duidelijke taal van Johannes gedwongen toe te geven “dat heel de schepping op een dag in overeenstemming zal zijn met God en Hem zullen verheerlijken — niet vanuit de diepten van de hel, maar vanuit de heerlijkheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.” [b2]

Hieraan voorafgaand komen het Loofhuttentijdperk en daarna “het Tijdperk van een Nieuwe Hemel en een Nieuwe Aarde”: “Dit zijn de Tijdperken van de Tijdperken, oftewel de Tijdperken die gaan komen.” [b1] Het jubeljaar vormt dan het eschatologische slotakkoord van heel de heilsgeschiedenis: God zal uiteindelijk “een beroep doen op zijn voortreffelijke heerschappij over heel de schepping volgens de wet van het Jubeljaar. Alles dat van Hem was in het begin zal hersteld worden aan Hem.” [b2]


Samenvatting

Jones’ scheppingsleer laat zich in één beweging beschrijven: van de goede schepping (Gen. 1:31) via het heersersmandaat (Gen. 1:26), de val en de juridische spanning (Rom. 8:19-22), de jubileuswet als meest fundamentele wet van de schepping, de verlossing door de Bloedverwant-Verlosser (Kol. 1:16-20), naar het eschatologische eindpunt van de universele lofprijzing (Op. 5:13). De spanning in de schepping is een door God ingesteld tijdelijk onrecht dat juridisch en eschatologisch opgelost wordt in universele verzoening — de enige oplossing die recht doet aan Gods eigen juridische aansprakelijkheid voor de staat van de schepping die Hij Zelf heeft ingesteld.