hogepriester

Definitie

De hogepriester is in het Oude Testament de priester die bevoegd was het heiligdom binnen te gaan en jaarlijks op de Grote Verzoendag het bloed van de offers op het verzoendeksel te sprengen. In de Christologie vormt de hogepriester-figuur een type (voorbede) van Christus, die volgens Hebr. 5-7 zijn priesterambt oefent naar de orde van Melchizedek — niet naar de Aaronitiese orde. Deze hogepriesterlijke bediening van Christus (sinds zijn hemelopneming) is de theologische grond voor zijn voorbede voor de gemeente en voor de uitstorting van de Heilige Geest.

Gebruiksvarianten per auteur

George Warnock

Warnock ontwikkelt de hogepriesterlijke bediening van Christus vanuit Hebr. 5-7. Hij citeert Hebr. 5:5 om te tonen dat Christus zijn hogepriesterschap niet zelf heeft gegrepen, maar het is hem toevertrouwd door de Vader:

“Zo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” [b8, Hebr. 5:5]

Warnock verbindt deze priesterlijke verheffing van Christus met zijn koningschap, zoals in Openbaring 5 beschreven: het Lam op de troon sprekt verzoeningsvolmacht uit:

“Want Gij zijt gedood en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie.” [b8, Openb. 5:9]

Voor Warnock is de hemelse bediening van Christus als Hogepriester de bron van de pneumatische fullheid (de Zeven Geesten) in de eindtijd.

Zie ook