Stephen Jones — Schepping

b1 — Creation’s Jubilee


Jubeljaar als fundamentele wet van de schepping

“Zoals Jezus Christus de centrale Persoon is van de gehele geschiedenis, zo is de wet van het Jubeljaar de meest fundamentele wet van heel de schepping. De wet van het Jubeljaar is de grondslag van vergeving en genade. Zij is het doel en het einddoel van de wet zelf.”1

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7 (The Law of Jubilee)

Interpretatie: Jones stelt de jubeljaarwet niet als Israëlitisch agrarisch voorschrift maar als de diepste constitutionele wet die heel de schepping reguleert. Genade en vergeving zijn geen ingrepen van buitenaf, maar de ingebouwde eindbestemming van de wet zelf.


“God bezit het [land] krachtens het scheppingsrecht (Gen. 1:1). Dus waren alle landverkopen tijdelijk.”2

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7

Interpretatie: Gods eigendomsrecht over de schepping berust op het beginsel van schepping (creatio ex nihilo als grond van eigendom). Alle menselijk eigendom is tijdelijk afgeleid bezit; het terugkeerprincipe van het jubeljaar weerspiegelt Gods soevereine eigenaarschap.


“Geen mens heeft de bevoegdheid zichzelf permanent als slaaf aan de zonde te verkopen. Zelfs als hij dat zou willen, heeft hij dit recht niet — want hij schept of bezit zichzelf niet. Om deze reden zullen, bij het Jubeljaar van de Schepping, alle mensen die God geschapen heeft terugkeren tot de oorspronkelijke Eigenaar van alle dingen.”3

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7

Interpretatie: De creatio-grond heeft directe soteriologische en eschatologische consequenties: niemand kan zichzelf definitief vervreemden van zijn Schepper. Het grote Jubeljaar van de Schepping dwingt universele terugkeer af.


“De wet van het Jubeljaar gebiedt de bevrijding van heel de schepping op een bepaald punt in de geschiedenis. Persoonlijk geloof ik dat dit zal komen na 49.000 jaar geschiedenis.”4

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7

Interpretatie: Jones projecteert het jubeljaarpatroon op kosmische schaal: 49.000 jaar als het grote Jubeljaar van de gehele schepping. Dit is een speculatief element dat hij zelf als zodanig aanmerkt (“I cannot prove this”).


“De wet van het Jubeljaar verkrijgt op elk niveau haar kracht door het bloed van Jezus Christus aan het Kruis.”5

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7

Interpretatie: Jubeljaar en verlossing zijn onlosmakelijk verbonden: het kosmische jubeljaar is niet een mechanisch juridisch proces, maar wordt gedragen door het offer van Christus.


Kosmische spanning in de schepping (theodicee)

“Paulus maakt duidelijk dat de schepping geen keus had om aan ‘vergeefsheid’ en ‘slavernij aan vergankelijkheid’ onderworpen te worden. Dit geschiedde door de soevereine wil van God alleen.”6

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13 (The Tension in Creation); verwijzing naar Romeinen 8:19–22

Interpretatie: Jones wijst elke vrijwilligheidsleer van de schepping ten aanzien van haar eigen corruptie af. De onderwerping aan vergankelijkheid is een soeverein goddelijk decreet, niet het gevolg van een onbedoelde val.


“Wij aarzelen niet om Gods handeling een ‘tijdelijke onrechtvaardigheid’ te noemen — die de directe oorzaak is van de Spanning in de geschiedenis van de schepping. Spanning is het gevolg van onrechtvaardigheid of disharmonie zolang die nog niet is opgelost.”7

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

Interpretatie: Jones introduceert de term “tijdelijke onrechtvaardigheid” voor Gods imputation van Adams zonde aan de gehele schepping (inclusief Deut. 24:16; Ezech. 18:20 die dit verbieden). Deze schijnbare tegenspraak met de wet van Mozes is voor Jones een opzettelijke, oplossbaar juridische spanning — vergelijkbaar met een muzikale dissonant die om oplossing vraagt.


“Spanning eist altijd om een oplossing. In de muziek bestaan er bepaalde akkoorden die conflicterende of dissonante noten bevatten. Deze akkoorden brengen een emotionele spanning teweeg totdat het akkoord wordt opgelost. […] Ook God heeft deze techniek gebruikt in de muziek der sferen en in het boek van de geschiedenis.”8

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

Interpretatie: Het beeld van de muzikale dissonant is Jones’ centrale metafoor voor de theodicee: de onrechtvaardigheid van de corrupte schepping is geen fout maar een compositioneel middel dat de uiteindelijke harmonie (herstel van alle dingen) des te krachtiger maakt.


“Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden” (Rom. 8:18). […] “Paulus herinnert ons eraan dat de onrechtvaardigheden van het leven niet alleen tijdelijk zijn, maar ook meer dan rechtgezet zullen worden op de laatste dag, wanneer Hij alle dingen herstelt.”9

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13


Gods juridische aansprakelijkheid: drie Tora-analogieën

Jones werkt drie wettelijke analogieën uit (Exodus 21–22; Deuteronomium 22) om te tonen dat God door zijn eigen wet aansprakelijk is voor Adams val:

1. De Os in de Put (Ex. 21:33–34)

“God groef een put, omdat Hij voor Adam een gelegenheid schiep om te zondigen. […] Dat maakte God juridisch aansprakelijk volgens Zijn eigen wet, en schiep een ‘spanning’ die om oplossing vroeg. De wettelijke oplossing is dat restitutie moet plaatsvinden.”10

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

Interpretatie: God maakte de put (kansen en aanleiding voor de zonde) maar dekte hem niet af, waardoor de os (Adam) erin viel. Eigen wet verplicht de put-eigenaar tot restitutie: daarom “kocht” God de dode os terug door Jezus.

2. Het Afgegraasde Veld (Ex. 22:5)

“God STOND TOE dat één van Zijn ‘beesten’ of schepselen (de slang) graasde in het veld van een ander. […] Welk soort ‘gras’ verteerde dit beest? Het waren Adam en Eva en uiteindelijk de gehele mensheid — want ‘alle vlees is als gras’ (1 Petr. 1:24). […] ‘het beste van Zijn eigen veld’ (Jezus) werd aan de mens gegeven als restitutie.”11

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

3. De Balustrade op het Dak (Deut. 22:8)

“Toen God toeliet dat Adam viel, en toen God toeliet dat de verzoeker Adam verzocht, liet Hij de balustrade van het dak weg. […] Jezus moest komen als de ware Hogepriester van de tempel in de hemel en sterven, om God te bevrijden van de aansprakelijkheid die Hij op Zich genomen had — en om het akkoord te slaan dat opnieuw harmonie zou brengen aan de sfeer van het universum.”12

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

Interpretatie: De drie Tora-analogieën vormen samen Jones’ theodicee-structuur: God is niet “schuldig” (zondaar) maar wel juridisch aansprakelijk door zijn eigen wet. Hij lost die aansprakelijkheid op door Jezus als restitutie aan te bieden — wat de spanning in de schepping definitief oplost.


“God schiep de mens met het vermogen om te zondigen, gaf de mens de gelegenheid om te zondigen, en stond vervolgens de verzoeker toe de zonde uit te lokken.”13

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13


Oorsprong van het kwaad

“God is de Schepper van zowel het Goede als het Kwade […] Jesaja 45:7 zegt onomwonden: ‘Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak de vrede en schep het onheil [ra, “kwaad”]; Ik, de HEERE, doe al deze dingen.‘”14

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13

Interpretatie: Jones verwerpt het dualisme (Perzisch of Augustijns) dat God van het kwaad wil vrijpleiten door het aan Satan toe te schrijven. God is de Schepper van al het bestaande inclusief kwaad en ellende, zonder daarmee zondaar te zijn (kwaad = “ra” = tegenspoed/gericht, niet moreel falen van God).


“Kwaad is geen zonde — want God doet kwaad, maar zondigt niet. […] Kwaad wordt slechts zonde wanneer het gedaan wordt afgezien van de volmaakte wil van God.”15

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13; verwijzing naar Amos 3:6


“God is de directe oorzaak van de zwakke (sterfelijke) toestand van de mens, en de indirecte oorzaak van zijn persoonlijke zonden.”16

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 13


Apokatastasis en nieuwe schepping

“Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in [de] Christus allen levend gemaakt worden. […] De ‘allen’ in beide gevallen lopen parallel aan elkaar en zijn gelijk in omvang.”17

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 5 (The Restoration of All Things); verwijzing naar 1 Kor. 15:22

Interpretatie: Jones’ exegese van 1 Kor. 15:22 is universalistisch: de “allen” in Adam (iedereen zonder uitzondering) en de “allen” in Christus zijn gelijk in omvang, al geschiedt de opstanding in fasen (tagma/squadron).


“[Hand. 3:21:] ‘die de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, waarover God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van eeuwen her.’ Het doel van dit boek is het geheim van Zijn wil te openbaren. Dit geheim is dat God ‘Het Al’ van de schepping zal verzoenen.”18

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 5


“Wat een heerlijke belofte! Het Jubeljaar is de wet van genade. Hoe ver een mens ook in de schuld geraakt — het Jubeljaar zal hem vrijmaken. Zelfs als geen verwant hem verlost, komt er een dag waarop hij zal worden vrijgelaten in de heerlijke vrijheid van de zonen Gods.”19

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7; verwijzing naar Lev. 25:54

Interpretatie: Het grote Jubeljaar fungeert als de uiteindelijke garantie voor universele verlossing: zelfs wie niet tussentijds wordt verlost, wordt op het Jubeljaar vrijgelaten. Jones koppelt dit aan Rm. 8:21 (“de schepping zelf zal bevrijd worden van haar slavernij aan de vergankelijkheid”).


“Daarom verwacht heel de schepping deze dag. Romeinen 8:19–25 zegt: ‘Met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God.‘”20

— Jones, Creation’s Jubilee, hoofdstuk 7


Originele citaten (Engelse bron)

Footnotes

  1. “Even as Jesus Christ is the central Person of all history, the law of Jubilee is the most fundamental law of all creation. The law of Jubilee is the basis of forgiveness and grace. It is the purpose and goal of the law itself.”

  2. “God owns it [the land] by right of creation (Gen. 1:1). Thus, all land sales were temporary.”

  3. “No man has the authority to sell himself permanently as a slave to sin. Even if he wanted to do so, he has no right to do this, because he does not create or own himself. For this reason, at the Creation Jubilee, all men whom God has created will return to the original Owner of all things.”

  4. “The law of Jubilee mandates the setting free of all creation at some point in history. Personally, I believe this will come after 49,000 years of history.”

  5. “The law of Jubilee on every level obtains its power by the blood of Jesus Christ on the Cross.”

  6. “Paul makes it clear that the creation had no choice in being subjected to ‘futility’ and to ‘slavery to corruption.’ It was done by the sovereign will of God alone.”

  7. “We do not hesitate to call God’s action a ‘temporary injustice,’ which is the direct cause of the Tension in the history of creation. Tension is the result of injustice or disharmony while it is yet unresolved.”

  8. “Tension always demands a resolution. In music there are certain chords which contain conflicting or discordant notes. These chords set up an emotional tension until the chord is resolved. […] God, too, has employed this technique in the music of the spheres and in the book of history.”

  9. “The sufferings of this present time are not worthy to be compared with the glory that is to be revealed to us.” (Rm. 8:18) […] “Paul is reminding us that the injustices of life are not only temporary, but will be more than righted at the last day when He restores all things.”

  10. “God dug a pit, because he created an opportunity for Adam to sin. […] That made God legally liable by His own law and created a ‘tension’ that demanded a resolution. The lawful solution is that restitution must be made.”

  11. “God ALLOWED one of his ‘beasts’ or creatures (the serpent) to feed in another man’s field. […] What kind of ‘grass’ did this beast consume? It was Adam and Eve and ultimately all of mankind, for ‘all flesh is as grass’ (1 Peter 1:24). […] ‘the best of his own field’ (Jesus) was given to man as restitution.”

  12. “When God allowed Adam to fall, and when God allowed the tempter to tempt Adam, He left the railing off the roof. […] Jesus had to come as the true High Priest of the temple in heaven and die, in order to release God from the liability incurred and strike the chord that would again bring harmony to the sphere of the universe.”

  13. “God created man with the potential to sin, provided man with the opportunity to sin, and then allowed the tempter to provoke the sin.”

  14. “God is the Creator of Both Good and Evil […] Isaiah 45:7 plainly says: ‘The One forming light and creating darkness, causing well-being and creating calamity [ra, “evil”]; I am the LORD who does all these.‘”

  15. “Evil is not sin, for God does evil, but does not sin. […] Evil becomes sin only when it is done apart from the perfect will of God.”

  16. “God is the direct cause of man’s weak (mortal) condition and the indirect cause of his personal sins.”

  17. “For as in Adam all die, so also in [the] Christ all shall be made alive. […] The ‘all’ in both cases parallel each other and are equal in scope.”

  18. “[Acts 3:21:] ‘whom heaven must receive until the period of restoration of all things about which God spoke by the mouth of His holy prophets from ancient time.’ The purpose of this book is to reveal the secret of His will. This secret is that God will reconcile ‘The All’ of creation.”

  19. “What a glorious promise! The Jubilee is the law of grace. No matter how far a man goes into debt, the Jubilee will set him free. Even if no kinsman redeems him, there is a day coming when he will be set free into the glorious liberty of the sons of God.”

  20. “This is why all of creation is awaiting this day. Romans 8:19–25 says, ‘For the anxious longing of the creation waits eagerly for the revealing of the sons of God.‘”