Schepping
Discipline-overzicht
Thema-artikel op basis van de hieronder genoemde werken van E.W. Bullinger, George Warnock, Watchman Nee & Witness Lee, C. en A. Noordzij, en Stephen E. Jones.
Primaire bronnen: Number in Scripture · Evening and Morning · Seven Lamps of Fire · The All-inclusive Christ (Nee/Lee) · The Economy of God (Nee/Lee) · Basic Elements of Christian Life, Vol. 1–3 (Nee/Lee) · The Spiritual Man (Nee) · The Glorious Church (Nee) · Mozes en de weg tot zoonschap · Creation’s Jubilee · Secrets of Time · The Biblical Meaning of Numbers
Bronafkortingen: NIS = Number in Scripture (Bullinger) · EaM = Evening and Morning (Warnock) · SLoF = Seven Lamps of Fire (Warnock) · AIC = The All-inclusive Christ (Nee/Lee) · EoG = The Economy of God (Nee/Lee) · BEC1 = Basic Elements of Christian Life, Vol. 1 (Nee/Lee) · BEC3 = Basic Elements of Christian Life, Vol. 3 (Nee/Lee) · SM = The Spiritual Man (Nee) · GC = The Glorious Church (Nee) · Mozes = Mozes en de weg tot zoonschap (Noordzij) · CJ = Creation’s Jubilee (Jones) · SoT = Secrets of Time (Jones) · BMN = The Biblical Meaning of Numbers (Jones)
De scheppingsvraag en haar inzet
Schepping is niet een doctrine over het verleden. Zij is, recht begrepen, een doctrine over het doel: waarom er iets is in plaats van niets, en waartoe dat iets beweegt. In het nadenken over oorsprong en bestemming bevragen de auteurs in dit corpus de klassieke tweevoudige vraag: vanwaar komt de schepping, en waarheen voert zij? Het antwoord dat langs zeer uiteenlopende wegen wordt bereikt, wijst in één richting. De schepping is doelgericht. Haar telos is geen dood eindpunt maar een levende voltooiing — de bevrijding van de hele schepping “tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods” (Rom. 8:21) [Mozes; CJ; SLoF].
Dat dat doel er is en wat het inhoudt, blijkt al in de structuur van de schepping zelf. Getal, seizoen, cyclus en architectuur van de stof — alles wijst op een Ontwerper die niet slechts creëert maar ook bestuurt, onderhoudt en naar een definitief einde voert [NIS; EaM]. Die voorzienigheid is geen willekeur; zij is de uitvoering van een wet die in de schepping is ingebakken. En die wet — het jubeljaar als haar diepste principe — garandeert uiteindelijk het herstel van alles wat in het verloop van de geschiedenis verloren ging [CJ].
De spanning in dit verhaal is de theodicee. De schepping zucht (Rom. 8:22). Vergankelijkheid, lijden, oorlog en dood zijn de feiten waartegen de doctrine van de schepping staande moet blijven. De auteurs in dit corpus ontwijken die spanning niet. Zij leggen haar uit als opzettelijk en tijdelijk: een dissonant die om oplossing vraagt, een winter die zomervruchtbaarheid voorbereidt, een dal tussen twee bergtoppen [EaM; CJ; Mozes]. Het kwaad is niet het laatste woord; het is het voorlaatste — een noodzakelijk moment in een verhaal dat eindigt met herstel.
Oorsprong en aard van de schepping
Creatio ex nihilo en haar grenzen
De klassieke christelijke leer van de schepping uit het niets — creatio ex nihilo — staat in dit corpus niet ter discussie, maar zij wordt ook niet als het voornaamste aandachtspunt behandeld. Dat de hemel en de aarde Gods eigendom zijn “van rechtswege van schepping” (Gen. 1:1), vormt de juridische grondslag van de kosmische jubeljaarswet: niemand kan zichzelf definitief vervreemden van zijn Schepper, want hij behoort hem toe door het simpele feit van zijn bestaan [CJ]:
“God bezit het van rechtswege van schepping (Gen. 1:1). Alle grondverkopen waren dus tijdelijk. […] Geen mens heeft de bevoegdheid om zichzelf voorgoed als slaaf aan de zonde te verkopen. Al zou hij dat willen, dan heeft hij daartoe het recht niet, want hij heeft zichzelf niet geschapen en is ook geen eigenaar van zichzelf.”
— Creation’s Jubilee, hfst. 7
Creatio ex nihilo is hier niet een leerstuk over de daad van schepping maar een ontologische grondstelling over eigendom: de Schepper bezit zijn schepping, en dat eigendomsrecht is onverjaarbaarbaar. Daarmee krijgt de leer over het begin een directe verbinding met de leer over het einde: wat God schiep keert terug naar Hem.
Herstelschepping: Genesis 1 als Gods ingrijpen in chaos
Een ander accent valt op de aard van het scheppingswerk zelf. Gen. 1:1-2 beschrijft niet slechts een aanvangsdaad maar een herstelbeweging: de aarde verkeerde in chaos, en Gods scheppingswerk ís in de eerste instantie het herstel van die chaos [AIC]:
“Het is niets anders dan het herstel van het land. God wilde het land herstellen en er iets op doen. […] Zo kwam God in om te werken; God begon de aarde te herstellen.”
— The All-inclusive Christ, hfst. 1
Dit is geen formele ontkenning van de schepping uit het niets — het betreft Gods handelen op de chaotische, reeds bestaande aarde van vers 2. Maar het accent ligt op het herstel-motief dat al in het begin aanwezig is. Schepping en herstel zijn niet twee afzonderlijke momenten maar twee facetten van hetzelfde goddelijke handelen.
Getal als bewijs van ontwerp
Een andere weg loopt langs de structuur van de schepping zelf. Haar getallen, haar periodiciteit, haar harmonische verhoudingen bewijzen dat de Schepper bewust en met ontwerp heeft gehandeld [NIS]. Getallen zijn dan geen abstracte wiskundige grootheden maar uitdrukkingen van Gods perfecte natuur in de schepping [NIS]:
“Er kunnen geen werken of woorden zijn zonder getal. […] Al Zijn werken werden (en worden) gedaan, op de juiste wijze, op het juiste moment, in de juiste volgorde, en in het juiste getal.”
— Number in Scripture, Deel I, Hfst. I
De 12 tekens van de Zodiac (het getal 12 als getal van bestuurlijke volmaaktheid), de periodiciteit van de scheikundige elementen, de harmonische verhoudingen in muziek (2:1, 3:2, 5:4) — al deze patronen vormen één taal, gesproken door één Ontwerper [NIS]. Wet in de natuur is niet een autonome kracht maar “God in actie”; God is niet alleen Wetgever maar ook actief Onderhouder van wat Hij instelde [NIS]. Dit is de diepste grond van de voorzienigheid: de schepping draagt de handtekening van haar Maker op elke pagina.
Het scheppingsdoel
De mens als vat: het container-begrip
Het meest uitgewerkte antwoord op de vraag naar het doel van de schepping luidt dat God de mens niet schiep voor zijn eigen schoonheid of capaciteiten, maar als container — een vat dat God zelf als inhoud zou kunnen bevatten [EoG]:
“Voor welk doel schiep God de mens? Uitsluitend opdat de mens Zijn container zou zijn. […] De mens werd doelbewust gemaakt om God te bevatten. Als wij God niet bevatten en God niet kennen als onze inhoud, zijn wij een zinloze tegenspraak.”
— The Economy of God, hfst. 5
De term container is hier niet een metafoor maar een theologisch begrip [EoG]: de driedeling van de mens — geest, ziel, lichaam (1 Tess. 5:23) — is een scheppingsstructuur die precies past op het scheppingsdoel. Het lichaam neemt de materiële werkelijkheid waar; de ziel het psychologische; de geest, het binnenste deel, is bedoeld om God zelf te contacteren (Joh. 4:24) [BEC1; SM]. De menselijke geest is Gods adem die in het stof van de aarde werd geblazen (Gen. 2:7) — van goddelijke oorsprong, maar niet Gods eigen leven. Dat laatste wordt pas bij de wedergeboorte ontvangen, getypeerd door de boom des levens [SM]:
“De levensadem werd de geest van de mens; dat wil zeggen, het levensprincipe in hem. […] Wat wij bij de nieuwe geboorte ontvangen, is Gods eigen leven, gesymboliseerd door de levensboom.”
— The Spiritual Man, Deel I, Hfst. 1
Schepping en wedergeboorte zijn daarmee twee onderscheiden maar samenhangende goddelijke handelingen: de schepping brengt het vat tot bestaan; de wedergeboorte vult het met Gods leven. Het scheppingsdoel kan pas bereikt worden wanneer beide handelingen zijn voltooid.
De mens als regent: heersersmandaat en kosmische context
Een tweede dimensie van het scheppingsdoel is de heerschappij. God schiep de mens met een heersersmandaat (Gen. 1:26-28) — een roeping om namens God over de aarde te regeren [GC; BMN]. Dit heersersmandaat laat zich verbinden met het getal 22 en met het zoonschapsideaal: het vruchtbaarheidsmandaat van Gen. 1:28 is dan de numerieke code van de bestemming van de mensheid als Gods zonen [BMN].
Deze heerschappij krijgt bovendien een kosmische context. Satans opstand voorafgaande aan de schepping noopte God zijn gezag van Satan terug te nemen en in mensenhanden te leggen [GC]:
“God trok Zijn gezag terug van de vijand en plaatste het in de hand van de mens. De reden dat God de mens schiep is dat de mens in de plaats van Satan zou heersen.”
— The Glorious Church, Hfst. 1
De mens is daarmee niet alleen moreel verantwoordelijk schepsel maar ook kosmische regent — opvolger in een universeel conflict. En boven beide dimensies staat de sleutelgedachte dat Adam niet het prototype is van Christus, maar Christus het prototype van Adam:
“Adam was gemaakt naar het beeld van de Here Jezus. Adam ging de Here Jezus niet vooraf; de Here Jezus ging aan hem vooraf.”
— The Glorious Church, Hfst. 1
Schepping en verlossing zijn hier geen twee aparte plannen — het eerste mislukt, het tweede als corrigerende ingreep — maar één doorgaande beweging. Verlossing herstelt wat schepping initieerde; schepping is voorafbeelding van wat verlossing voltooit [GC].
De twee bomen: het scheppingspatroon als tweeweg
In het hart van de schepping — de hof van Eden — plaatst God twee bomen als tweeweg voor de mensheid (Gen. 2:9). Deze twee bomen laten zich lezen als de twee fundamentele beginselen waarnaar de mens kan leven: het leven versus de kennis van goed en kwaad [BEC3]:
“God gebruikt twee bomen om ons een gelijkenis te vertellen. […] Zij laten ons zien dat de mens twee soorten voedsel heeft en ofwel door het leven kan leven, ofwel door de kennis van goed en kwaad.”
— Basic Elements of Christian Life, Vol. 3, Hfst. 1
De norm van de boom des levens is hoger dan de norm van goed en kwaad: “Christenen moeten niet alleen het kwade weigeren, zij moeten zelfs het goede weigeren. Er is een norm die hoger is dan de norm van het goede; het is de norm van het leven” [BEC3]. De twee bomen zijn daarmee een scheppingstheologisch argument: al bij het begin is de bestemming van de mens om door het leven van God zelf te leven, niet door eigen oordeel over goed en kwaad. De zondeval is de keuze voor de verkeerde boom — structureel een omkering van de orde die God bij de schepping had bedoeld.
Voorzienigheid: Gods actieve onderhouding
Seizoenen, cycli en de trouw van God
De voorzienigheid van God — zijn actieve onderhouding en besturing van de schepping — staat in dit corpus centraal [EaM]. De schepping is dan niet een autonoom mechanisme maar een voortdurende manifestatie van Gods Woord [EaM]:
“Wij mogen ook niet anders verwachten, want de natuur is niets anders dan een manifestatie van het Woord van God. Er was een tijd waarin de mensen geen ander Woord hadden dan het Woord van de natuur, en dat was zulk een heldere openbaring van het denken en het karakter van God dat de apostel kon zeggen: ‘Zijn onzichtbare dingen worden van de schepping der wereld af duidelijk gezien.‘”
— Evening and Morning, Hfst. 1 (Rom. 1:20)
Gods onderhouding werkt via seizoenen en cycli. Gen. 8:22 — “zolang de aarde bestaat, zullen zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden” — is niet een beschrijving maar een belofte: God garandeert de continuïteit van de scheppingsritmiek als uitdrukking van zijn trouw [EaM]. Elke winter is een belofte van lente. Elke nacht is een belofte van morgen. Het avond-en-morgen patroon van Gen. 1 — “en het was avond en het was morgen” — geldt als theologisch principe: God werkt altijd door duisternis heen naar licht, door dood heen naar opstanding [EaM]:
“Gods orde is eerst duisternis, dan licht. Eerst chaos, dan orde. Eerst onvruchtbaarheid, dan vruchtbaarheid. Eerst zwakheid, dan kracht. Eerst dood, dan leven.”
— Evening and Morning, Hfst. 4
Wet in de natuur als God in actie
De getallentheologie vult dit aan. Wet in de natuur is niet een zelfstandige kracht — zij “heeft geen zelfstandig bestaan; zij bezit geen kracht” — maar is God die zijn schepping actief bestuurt [NIS]:
“Wat we bedoelen wanneer we spreken over wet in de natuur is eenvoudig dit: God in actie; God die niet alleen wetten geeft of maakt, maar ze ook uitvoert en handhaaft.”
— Number in Scripture, Deel I, Hfst. I
De patronen in de hemelen (12 tekens, 360 graden), in de scheikunde (periodieke wetmatigheid), in de muziek (harmonische verhoudingen) — zij zijn alle uitdrukking van Gods ononderbroken handelen. Dit handelen reikt door tot in de chronologie: God bestuurt de scheppingsgeschiedenis via precieze tijdpatronen — jubeljaren, sabbatsjaren, het grote 6000-jarenpatroon — en maakt de geschiedenis zelfs “vroeg” wanneer Hij de uitverkorenen wil begunstigen (Matt. 24:22) [SoT]. Soevereiniteit over de schepping is soevereiniteit over de tijd.
Theodicee: de kosmische spanning
De opzettelijke dissonant
De scherpste formulering van de theodicee in dit corpus pleit God niet vrij van verantwoordelijkheid voor het lijden in de schepping [CJ]. God is “de directe oorzaak van Adams zwakke (sterfelijke) conditie en de indirecte oorzaak van zijn persoonlijke zonden” [CJ]. De reden: God schiep de mens met de mogelijkheid tot zonde, gaf hem gelegenheid tot zonde, en liet de verzoeker zijn werk doen [CJ]:
“Paulus maakt duidelijk dat de schepping geen keus had toen zij werd onderworpen aan ‘vruchteloosheid’ en aan ‘slavernij van het verderf.’ Het geschiedde door de soevereine wil van God alleen.”
— Creation’s Jubilee, Hfst. 13 (Rom. 8:19-22)
Hiervoor dient de term “tijdelijke onrechtvaardigheid” (temporary injustice): Gods imputatie van Adams zonde aan de hele schepping lijkt in strijd met zijn eigen wet (Deut. 24:16; Ezech. 18:20 verbieden straf op grond van andermans schuld). Maar die spanning is opzettelijk — een muzikale dissonant die om oplossing vraagt [CJ]:
“Spanning vraagt altijd om een oplossing. In de muziek bestaan akkoorden die strijdige of dissonante tonen bevatten. Zulke akkoorden roepen een emotionele spanning op totdat het akkoord wordt opgelost. […] Ook God heeft deze techniek toegepast in de muziek der sferen.”
— Creation’s Jubilee, Hfst. 13
Drie Torah-analogieën voor Gods aansprakelijkheid
De juridische oplossing van de theodicee verloopt via drie analogieën uit de Tora [CJ]. In Ex. 21:33-34 is de eigenaar aansprakelijk als zijn put een os doodt. God groef de put (Hij schiep de kans voor Adams zonde) maar dekte hem niet af — en is dus juridisch aansprakelijk. In Ex. 22:5 moet wie zijn vee in andermans veld liet grazen, het beste van zijn eigen veld als vergoeding geven: God liet de slang in Adams veld grazen en gaf als vergoeding zijn beste (Jezus) [CJ]. In Deut. 22:8 moet wie een huis bouwt een borstwering plaatsen; God liet de borstwering weg en droeg daarvoor de juridische consequentie [CJ].
Samen vormen deze drie analogieën één theodicee-structuur: God is niet schuldig in morele zin, maar hij is juridisch aansprakelijk door zijn eigen wet. Die aansprakelijkheid lost hij op door Jezus als restitutie aan te bieden — waarmee de spanning in de schepping definitief wordt opgelost en het verlies van het oordeel bij de Jubeljaarswet wordt ingelost [CJ].
Een andere weg lost de theodicee typologisch op. De ellende van de wereld (oorlogen, rampen, honger) is het heden-moment in het verhaal van Israël in Egypte — een tijdperk van verdrukkende slavernij terwijl God zijn verlossers voorbereidt [Mozes]. De oplossing is niet een analytisch antwoord maar een heilshistorische beweging: de verdrukking duurt zolang het nodig is; het Mozes-type wordt klaargemaakt; daarna komt de bevrijding.
Schepping en ecologie: de zucht van de schepping
Romein 8 als scheppingstheologische kern
Eén Bijbelpassage keert in bijna alle dossiers terug: Rom. 8:19-22. “Want de schepping, met reikhalzend verlangen, wacht op de openbaring der zonen Gods” — dit vers vormt de sleutel tot het verstaan van het scheppingsdoel [Mozes]:
“Wij weten, dat de hele schepping in al haar delen zucht en in barensnood is (Rom. 8:22). Met reikhalzend verlangen wacht zij op het openbaar worden van de zonen Gods (Rom. 8:19).”
— Mozes en de weg tot zoonschap, Inleiding
De schepping zucht niet vanwege onverschilligheid of toeval maar vanwege de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid waaraan zij werd onderworpen (vers 20) — onderworpen door God zelf, niet vrijwillig. Dit sluit aan op Jones’ stelling dat de onderwerping soeverein goddelijk is: de schepping was hulpeloos, zij had geen keus [CJ]. En juist daarom is haar bevrijding een verplichting die God op zichzelf heeft genomen.
Die bevrijding loopt via de zonen Gods. De schepping wacht op de zonen Gods als haar verlossers — zij zijn het instrument waardoor de bevrijding van heel de schepping tot stand komt [Mozes]:
“De schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (Rom. 8:21). […] Zij binden niemand aan zichzelf, maar leiden allen ‘tot de vrijheid van de kinderen van God.‘”
— Mozes en de weg tot zoonschap, secties over bediening en zoonschap
Deze bevrijding hangt samen met de eindtijduitstorting van de Geest. De rijping van de gemeente naar het Loofhuttenfeest heeft kosmische gevolgen: de schepping bevrijdt zich niet langs politieke of technologische weg maar door de openbaring van een gerijpt lichaam van zonen Gods in wie de volheid van Christus gestalte kreeg [SLoF]:
“Want de schepping, met reikhalzend verlangen, wacht op de openbaring der zonen Gods.”
— Seven Lamps of Fire (Rom. 8:19)
De profetie van Joël 2:22 — “Vreest niet, gij dieren des velds; want de weiden der woestijn zijn groen geworden, het geboomte draagt zijn vrucht” — laat zich lezen als scheppingskosmische transformatie: de bevrijding van de schepping uit het geweld van de vergankelijkheid is zichtbaar in de vruchtbaarheid die terugkeert [SLoF].
Rentmeesterschap en de scheppingsopdracht
Het rentmeesterschap van de mens over de schepping vindt zijn grond in het heersersmandaat van Gen. 1:26-28. De mens is geroepen om namens God over de aarde te heersen — niet als eigenaar maar als beheerder [GC; BMN]. Het vruchtbaarheidsmandaat (“weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u”) hangt samen met het concept van zoonschap: vruchtbaarheid en heerschappij zijn niet twee afzonderlijke opdrachten maar twee dimensies van één roeping [BMN]. En die roeping wordt eschatologisch geconsumeerd: de openbaring van de zonen Gods is tegelijk de bevrijding van de schepping. Schepping verzorgen en schepping verlossen zijn niet van elkaar te scheiden.
Nieuwe schepping: continuïteit en herstel
Transformatief herstel, geen vervanging
De vraag of de nieuwe schepping een vervanging is van de huidige — radicale discontinuïteit — of een transformatief herstel, wordt in dit corpus eensgezind beantwoord: het is herstel. De Jubeljaarswet onderbouwt dit: wat God heeft geschapen keert naar zijn oorspronkelijke Eigenaar terug, niet door vernietiging maar door bevrijding [CJ]:
“Dit is het werkelijk verheven lot voor de aarde. Wanneer alle mensen Christus als Verlosser en Koning hebben aanvaard, zal Jezus een voltooid en volledig Koninkrijk aan zijn Vader aanbieden. Dit is het Jubeljaar van de Schepping.”
— Creation’s Jubilee, Hfst. 5
Verlossing herstelt wat schepping initieerde [GC]:
“De plaats van de verlossing kan niet hoger zijn dan die van de schepping. Wat is verlossing? Verlossing herstelt wat God in de schepping niet verkreeg. […] God bereikt door verlossing Zijn doel in de schepping.”
— The Glorious Church, Hfst. 1
Dit sluit elke gedachte van een plan B uit. God voert geen fundamenteel nieuw plan in als reactie op de zondeval. De schepping is geladen met Gods eeuwig voornemen; de verlossing is het herstel van dat voornemen, niet zijn correctie.
Seizoenen als type van de nieuwe schepping
De scheppingscyclus zelf dient als type van de nieuwe schepping. Het avond-en-morgen patroon van Gen. 1 is niet slechts verleden maar toekomstige werkzaamheid: bij elke zonsopgang is er “een nieuw ding gedaan op aarde”, een nieuwe maat van groei [EaM]. De General Sherman Sequoia, die Abraham zag vertrekken als klein boompje en nog steeds staat, is het beeld van de schepping die door winter en zomer heen naar volwassenheid groeit [EaM]. De nieuwe schepping is de volgroeide schepping — dezelfde boom, maar tot zijn volle gestalte gekomen.
De getallentheologie geeft dit een numerieke structuur: het getal 8 is het getal van nieuw begin en nieuwe schepping [BMN]. Christus stond op op de achtste dag — de dag na de zevende, die buiten de weekcyclus valt — als eerstelingsoffer en als aanvang van de nieuwe scheppingsorde. De schepping van de Geest (getal 7, voltooiing) loopt over in de nieuwe schepping (getal 8, nieuw begin) [BMN]. De sabbat markeert voltooiing; de achtste dag opent naar een orde die buiten alle menselijke precedenten valt.
Apokatastasis-plaatsbepaling: schepping, herstel en het doel van alle dingen
De rode draad die door alle lezingen van de scheppingsleer loopt, is de apokatastasis — de wederoprichting van alle dingen (Hand. 3:21). Zij is geen appendix bij de scheppingsdoctrine; zij is haar teleologische kern. De schepping is goed en doelgericht; haar doel is niet bij de zondeval opgeheven maar verschoven naar het herstel; het herstel voltooit wat de schepping begon.
De argumentatie verloopt langs twee lijnen die hier samenkomen.
De lijn van het eigendom en de wet. God schiep alles; dus bezit hij alles; dus keert alles naar hem terug. Het jubeljaar is de juridische uitdrukking van dit ontologisch feit: in het grote Jubeljaar van de Schepping worden alle schulden voldaan, alle slaafgemaakten bevrijd, alle vervreemde grond teruggegeven [CJ]:
“Wat een heerlijke belofte! Het Jubeljaar is de wet van de genade. Hoe diep een mens ook in de schuld raakt, het Jubeljaar zal hem vrijmaken. Zelfs al lost geen losser hem, er komt een dag waarop hij zal worden vrijgemaakt tot de heerlijke vrijheid van de zonen Gods.”
— Creation’s Jubilee, Hfst. 7 (Lev. 25:54; Rom. 8:21)
De lijn van het scheppingsdoel en de zonen Gods. De schepping zucht en wacht. Zij wacht niet op een vervanging maar op bevrijding. Die bevrijding is het werk van de geopenbaarde zonen Gods — degenen die door de genade van God zijn gerijpt tot de gestalte van Christus en die als zijn instrumenten de schepping uit haar slavernij leiden [Mozes; SLoF; CJ]. Het scheppingsdoel — een schepping die God weerspiegelt in haar volle vrijheid — is het einddoel van dit heilshistorische proces.
De apokatastasis is daarmee niet een sentimenteel optimisme over de menselijke natuur maar de theologische consequentie van twee onweerlegbare premissen: God is Schepper (eigendomsrecht), en God is goed (verlossingsintentie). Wie gelooft dat God alles schiep, gelooft ook dat alles uiteindelijk naar Hem terugkeert. Wie gelooft dat God wil dat alle mensen behouden worden (1 Tim. 2:4), gelooft ook dat zijn scheppingsdoel niet eindigt in de vernietiging van het merendeel van zijn schepping.
De nieuwe schepping is de voltooide oorspronkelijke schepping: dezelfde, maar gereinigd, verheerlijkt en volledig doordrongen van God. De schepping is het theater van Gods zelfopenbaring; de apokatastasis is het moment waarop dat theater zijn diepste bestemming bereikt. God alles in allen (1 Kor. 15:28) — dat is het punt waarop schepping en verlossing in hun ware eenheid zichtbaar worden.
Laatste revisie: 2026-06-14. Dit artikel is onderdeel van het discipline-overzicht Schepping op apokatastasis.wiki.