Cees en Anneke Noordzij — Prolegomena

b2 — Het Woord Gods en de Schrift


Bijzondere openbaring — Woord Gods méér dan de bijbel

Noordzij stelt dat de term “Woord van God” niet gelijkgesteld mag worden met uitsluitend de bijbel:

“De term het Woord van God wordt vaak gebruikt als men het heeft over de bijbel. In zekere zin is dat waar, maar het Woord van God is méér dan een boek. Het is wat Hij tot ons spreekt, rechtstreeks, in profetieën, visioenen en openbaringen, of indirect via een bijbelgedeelte of een medegelovige.” — (b3, sectie Inleiding)

Noordzij verbindt dit met het Johanneïsche Logos-begrip:

“Het Woord is de oorsprong van alles: het is God Zelf (Joh.1:1-3). Het Woord werd mens, met namen als Immanuël (=God bij ons) en Jezus (=JHWH redt). Nu komt het Woord tot ons als Geest (2Cor.3:17a), om in ons te wonen en om in ons te spreken.” — (b3, sectie Het Woord van God)

Interpretatie: Noordzij onderscheidt drie modaliteiten van bijzondere openbaring: rechtstreekse goddelijke communicatie (profetieën, visioenen), de geïncarneerde Logos (Jezus), en de inwonende Geest. De bijbel is een begeleidend middel, niet de primaire bron.


Geloof als vertrekpunt — het Mimosa-verhaal

Als argumentum voor de mogelijkheid van geloof zonder Schrift presenteert Noordzij het verhaal van Mimosa:

“Het is niet alleen onbijbels, maar ook onlogisch, dat God een boek nodig zou hebben om met de mens te communiceren. Maar een klein percentage van de wereldbevolking heeft een bijbel.” — (b3, sectie Het Woord van God)

“Het gaat over een Indiaas meisje, dat op tienjarige leeftijd bij toeval en maar één keer iets hoorde over een God die louter liefde is. Het liet haar niet meer los. Zonder onderricht, zonder bijbel of contact met andere christenen, groeide haar geloof gestaag. […] Ze had géén bijbel, maar ze hoorde wèl het Woord van God.” — (b3, sectie Het Woord van God)

Noordzij trekt een expliciete lijn naar bijbelse figuren:

“Ze deed me denken Henoch, Noach en Abraham, die ook geen bijbel hadden, maar wel God hoorden ‘spreken’.” — (b3, sectie Het Woord van God)

Interpretatie: Het Mimosa-verhaal fungeert als empirisch bewijs voor Noordzijs stelling dat bijzondere openbaring niet Schrift-afhankelijk is. De bijbel is historisch contingent; de goddelijke communicatie niet.


Gods taal als symbolentaal / seintaal

Noordzij formuleert een expliciete theorie over de communicatievorm van goddelijke openbaring:

“In wat voor taal spreekt God tot ons? In het Hebreeuws en in het Grieks? In het Nederlands, Engels, Russisch, Latijn? Welnee. Hij spreekt in beeldentaal, symbolentaal, in tekenentaal, in gelijkenissen.” — (b3, sectie De taal van God)

Noordzij onderbouwt dit met een Grieks-exegetisch argument vanuit Openbaring 1:1:

“Dit werkwoord ‘te kennen geven’ is in het Grieks semaino. Dat is: door een sein duidelijk maken (semeion=sein, teken). De lezers van de bijbel moeten dus Gods ‘seintaal’ verstaan, om ervan de verhalen en de profetieën, de wondertekenen en gelijkenissen, de typen, riten en symbolen, enz. te ‘horen’ en te ‘zien’ (=kennen).” — (b3, sectie De taal van God)

“De bijbel is dan niet alleen een leesboek of een studieboek, maar een ‘hoorboek’ — wat de Geest tot de gemeenten zegt.” — (b3, sectie De taal van God)

“In alles wijst Gods Geest in symbolentaal op hemelse realiteiten en geestelijke processen.” — (b3, sectie De taal van God)

Hij citeert daarvoor ook pedagoog-professor Van Niftrik:

“Zestig jaar geleden vertelde professor Van Niftrik ons dat al in een les bijbelse antropologie. Hij zei: ‘Als je iets leest in de schrift (met je verstand), zoek dan altijd naar de geestelijke realiteit die God erin heeft verstopt.‘” — (b3, sectie De taal van God)

Interpretatie: Noordzijs hermeneutiek vereist een tweede leesniveau: achter de letterlijke tekst schuilt een symbolische laag die alleen geestelijk te “horen” is. Dit heeft directe implicaties voor theologische methode.


Theologische methode — Schrift als bevestigings- en herkenningsboek

Noordzij formuleert een uitgesproken positie over de functie van de bijbel in de theologische methode:

“De bijbel is dus in eerste instantie geen studieboek of geschiedenisboek, maar een bevestigingsboek, een herkenningsboek.” — (b3, sectie De Schrift: nuttig om te onderrichten)

Dit onderbouwt hij met Paulus als model:

“Paulus gebruikte vaak citaten uit het oude testament ter illustratie wat hij van God had ontvangen. Wat hem werd geopenbaard, vond hij bevestigd in de schrift. Hij was eerst schriftgeleerde geweest, die alles wat erover te weten was, wist, zonder dat hij de geestelijke realiteiten van het Koninkrijk der hemelen erin kon ‘zien’. En toen hij een discipel van het Koninkrijk der hemelen werd, achtte hij al die eerste kennis als schade.” — (b3, sectie De Schrift: nuttig om te onderrichten)

Noordzij beschrijft vier functies van de Schrift (2 Tim. 3:16):

“Elk door God ingegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk toegerust.” — (b3, sectie De Schrift; citaat 2 Tim. 3:16-17)

Interpretatie: De primaire bron van theologische kennis is volgens Noordzij de directe godsgemeenschap (“horen”); de Schrift bevestigt en herkent wat reeds is ontvangen — het omgekeerde van een confessioneel schriftprincipe waarbij de Schrift als primaire en normatieve bron geldt.


Epistemologie — hoofd vs. hart

Noordzij keert de gangbare verhouding tussen verstand en hart om:

“Veel mensen bidden: ‘Heer, ik begrijp alles in mijn hoofd. Laat het nu zakken naar mijn hart’. Ze denken, dat geestelijke waarheden eerst met het verstand en daarna met geestelijke ogen moeten worden ‘gezien’. Dat is precies het tegengestelde van wat God wil.” — (b3, sectie Hoofd of Hart)

“Hoe meer we ‘horen’ in ons hart, des te meer begrijpen we van de bijbel. Dus niet meer louter verstandelijk interpreteren, maar leren ‘weten’ door de Geest waar Gods Woord over spreekt. Eerst geestelijke communicatie, dan interpretatie van de bijbel.” — (b3, sectie Hoofd of Hart)

Hij illustreert met de Heer Jezus als epistemologisch model:

“Van kindsbeen af had Hij gemeenschap met de hemelse Vader. […] Hij dronk die in en verwierf een andere ‘kennis’ dan ‘schriftgeleerdheid’. Het ‘levende Woord’ dat Hij ‘hoorde’ werd steeds bevestigd, als Hij schriftgedeelten in de synagoge hoorde voorlezen.” — (b3, sectie Hoofd of Hart)

Noordzij illustreert ook met een persoonlijk voorbeeld — zijn schoonzus met een verstandelijke beperking:

“Met haar lichaam kon ze zo goed als niets; met haar verstand helemaal niets. Geestelijk was ze helemaal niet gehandicapt. […] Bij haar waren alle intellectuele functies afwezig en toch pakte ze de meeste dingen geestelijker aan, dan ‘normale’ mensen. Het gaat in de eerste plaats om het hart.” — (b3, sectie Hoofd of Hart)

Interpretatie: Noordzijs epistemologie is pneumatocentrisch: de Geest is de primaire kennisbron (Joh. 16:13); intellectuele Bijbelkennis is afgeleid en zelfs gevaarlijk als zij de hartkennis vervangt. [SPANNING met confessionele theologie die schriftprincipe als epistemisch fundament hanteert]


Hermeneutiek — letter vs. geest

Noordzij formuleert een hermeneutisch principe inzake de letter-geest verhouding:

“Ook wij moeten de schrift goed kennen, niet alleen naar de letter, maar vooral naar de Geest. Satan gebruikt de ‘letter die doodt’ (2Cor.3:6). Hij laat iets weg of hij haalt iets uit de context.” — (b3, sectie De Schrift: nuttig om te weerleggen)

Hij illustreert dit met de verzoeking van Jezus in de woestijn, waarbij Satan een Psalmtekst citeert met strategische weglating:

“Satan is de vader van de leugen. Hij liegt altijd (Joh.8:44). Ook als hij de schrift hanteert. Want wat deed hij? Hij citeerde iets uit een psalm, maar liet, geraffineerd als hij is, enkele zeer essentiële woorden weg.” — (b3, sectie De Schrift: nuttig om te weerleggen)

Noordzij verbindt hermeneutiek met denkvernieuwing:

“Daarom gaat het er in de eerste plaats om, te worden vernieuwd in ons denken door de heilige Geest (Rom 12:2, Fil.2:5). Want ‘de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (2Cor.3:6). We moeten dus de gezindheid van Jezus hebben, Zijn phroneo (=denkwijze). Hij dacht geestelijk.” — (b3, sectie De Schrift: nuttig om te weerleggen)


Autoriteit — kritiek op “letterknechterij”

Noordzij citeert Oswald Chambers als gezaghebbend getuige tegen een te eenzijdig schriftgezag:

“Er zijn ook christenen, die alles afdoen met ‘We moeten terug naar het gezag van de bijbel, de schrift’. Zo’n houding mist de moed en de kracht van Gods Geest. Het is een letterknechterij die geen ‘leesbare brieven’ voortbrengt, maar mensen die min of meer vleesgeworden woordenboeken zijn. Het brengt geen heiligen voort, maar fossielen, mensen zonder leven, zonder ook maar iets van de levende realiteit van de Heer Jezus te kennen.” — (b3, sectie Tenslotte; citaat Oswald Chambers, Biblical Ethics)

Noordzij stelt daar een drieledige autoriteitsstructuur tegenover:

“Want naast het levende Woord en de schrift moet er ook het vertolkende Woord zijn, in mensen, wier leven bevestigt wat ze geloven. Zij zijn op God afgestemd. In hen wordt Gods Woord levend en krachtig (Hebr.4:12). De band tussen de Heer Zelf, die het Woord is, en het Woord dat Hij spreekt is zo nauw, dat elke scheiding fataal is.” — (b3, sectie Tenslotte; citaat Oswald Chambers, Biblical Ethics)

Interpretatie: Autoriteit rust niet uitsluitend bij de Schrift, maar bij de levende Christus-Logos, bevestigd door de Schrift, vertolkt door geestelijk gevormde mensen. [SPANNING met sola scriptura-principe]