E.W. Bullinger — Prolegomena
b1 — Getal in de Schrift: Zijn Bovennatuurlijk Ontwerp en Geestelijke Betekenis
Theologische methode
Bullinger formuleert in de Voorrede zijn methodologische uitgangspunt: het werk beoogt algemene principes te formuleren en deze met enkele voorbeelden uit Gods Woord te illustreren, “anderen overlatend om de toepassing van deze principes uit te breiden en er zelf voorbeelden van op te sporen.”
Tegelijk waarschuwt hij nadrukkelijk tegen de valkuil van eisegese: “Wie het belang van een bepaald principe waardeert, zal in de verleiding komen het te zien waar het niet bestaat, en als het er niet is, het er toch in te forceren, soms ondanks de grondtekst.” (Voorrede)
Het doel van het werk is drievoudig: “de arbeid van Bijbelstudenten te stimuleren; gelovigen te versterken in hun allerheiligst geloof; en twijfelaars te overtuigen van de goddelijke volmaaktheid en inspiratie van het Boek der boeken, tot lof en eer van God.” (Voorrede)
Hermeneutiek
Bullinger stelt in Deel I, Hoofdstuk II een hermeneutisch principe centraal: wanneer numerieke patronen zowel in Gods werken als in Gods Woord dezelfde wetmatigheden vertonen, “is de overtuiging overweldigend dat wij dezelfde grote Ontwerper, dezelfde Auteur hebben; en wij zien dezelfde Hand, hetzelfde zegel gedrukt op al Zijn werken, en als het ware dezelfde handtekening of paraaf op iedere bladzijde van Zijn Woord. En dat niet een paraaf die er afgescheurd of uitgewist kan worden, maar onuitwisbaar, als het watermerk in het papier; zo ingedrukt en verweven daarmee dat geen macht op aarde het kan uitwissen.” (Deel I, Hfst. I)
Over de hermeneutische grondregel schrijft hij: “Onze speurtocht moet beperkt blijven tot wat geopenbaard is. Met wat God behaagd heeft niet te openbaren, maar verborgen te houden, hebben wij niet alleen niets te maken, maar begaan wij de zonde van vermetelheid door er zelfs over te speculeren.” (Deel I, Hfst. II, met verwijzing naar Deut. 29:29)
Interpretatie: Bullinger hanteert een strikt brongebonden hermeneutiek: de exegeet mag alleen werken met wat geopenbaard is (Deut. 29:29), en moet waken voor het inlezen van principes die er niet zijn.
Bullinger biedt ook een concreet hermeneutisch principe: “Elk woord van Gods Boek staat op zijn juiste plaats. Het kan ons soms verward lijken. Het slot kan op de ene plaats zijn, en de sleutel kan elders verborgen zijn in een schijnbaar onbelangrijk woord of zin.” (Deel I, Hfst. II) Hij illustreert dit met de verbinding tussen Gen. 11-12 en Hand. 7:4, en tussen Jes. 52:4 en Hand. 7:18.
Bijzondere openbaring en inspiratieleer
Bullinger ontwikkelt zijn inspiratieleer als conclusie uit de numerieke analyse. Wanneer blijkt dat woorden in de Schrift een bepaald aantal keren voorkomen (veelvouden van 7, 11, of kwadraten), schrijft hij:
“Dit is zeker ontwerp; en als dat zo is — als niet alleen de ‘dagen’ waarin geopenbaarde gebeurtenissen plaatsvinden geteld zijn, maar ook de woorden zelf geteld zijn — dan hebben wij een groot en wonderbaar bewijs van de goddelijke, verbale en zelfs letterlijke inspiratie van het Woord van God.” (Deel I, Hfst. II)
Interpretatie: Bullinger beargumenteert verbale en letterlijke inspiratie inductief, op grond van empirisch aangetoonde numerieke wetmatigheden — een omgekeerde redenering ten opzichte van dogmatische inspiratieleer.
Over de rol van de Heilige Geest bij de totstandkoming van de Schrift schrijft hij: “de Heilige Geest…die de gehele Goddelijke openbaring inspireert en een eenvormigheid in resultaten waarborgt die absoluut onmogelijk zou zijn in een werk dat afzonderlijk geschreven is door verschillende auteurs.” (Deel I, Hfst. II)
Bewijs goddelijk auteurschap
Bullinger verbindt zijn numerieke methode direct met de vraag naar goddelijk auteurschap. Hij verwijst naar de engel Palmoni (Dan. 8:13), wiens naam hij vertaalt als “de teller van geheimen, ofwel de wonderbare teller”: “Er is dus minstens één heilige engel wiens functie te maken heeft met getallen. Getallen dus, en hun geheimen, nemen een belangrijke plaats in in de woorden evenals in de werken van God.” (Deel I, Hfst. II)
Het bewijs voor Paulinisch auteurschap van Hebreeën baseert hij op numerieke wetmatigheden: wanneer bepaalde woorden uitsluitend in de Paulijnse brieven en Hebreeën als geheel perfecte getalspatronen vormen, maar niet in de Paulijnse brieven alleen, is dat “een argument voor het Paulinisch auteurschap van de Brief aan de Hebreeën.” (Deel I, Hfst. II, sectie “Bewijs betreffende auteurschap”)
Autoriteit van de Schrift
Bullinger stelt de Schrift boven alle menselijke rekeningssystemen en tekstkritiek. Over de boekindeling van het Oude Testament schrijft hij: “het aantal en de volgorde van de boeken van de Bijbel komen tot ons op precies dezelfde autoriteit als de feiten en leerstellingen ervan.” (Deel I, Hfst. II, sectie “De boeken van de Bijbel”)
Hij keert zich expliciet tegen de hogere kritiek: de numerieke patronen in Genesis “springen geheel en al de uitgewerkte theorieën van de zogenaamde ‘hogere critici’ betreffende het boek Genesis op.” (Deel I, Hfst. II)
Over Spr. 25:2 schrijft hij: “Het is de eer van God een zaak te verbergen, maar de eer van koningen is het een zaak te onderzoeken. Door dus de geheimen van het Woord van God op te sporen, verrichten wij niet alleen koninklijk, maar ook eervol werk.” (Deel I, Hfst. II)