Stephen E. Jones — Numerologie

b4 — The Laws of the Second Coming


Gematria en numerieke symboliek

Jones bespreekt gematria (de numerieke waarde van Hebreeuwse en Griekse letters) als bewijs van Gods precisie in de heilshistorische timing. Als methodologische inleiding schrijft hij:

“Voor wie niet vertrouwd is met numerieke waarden (gematria): de Hebreeuwse en Griekse letters dienden zowel als letters als als getallen. Elke letter heeft een numerieke waarde, en men kan de waarden van alle letters optellen om de numerieke waarde van een woord of zin in de Bijbel te verkrijgen.”

[b4, Hfst. 1]

Als concreet voorbeeld bespreekt hij de waarde 301 bij de kruisiging:

“Op een eenzame heuvel buiten de muren van Jeruzalem hing de Hemelse, die op aarde was gekomen om als mens te worden geboren, te lijden en te sterven, aan een wreed kruis die middag. De heuvel heette Calvary. De Griekse naam was Kranion, waarvan de numerieke waarde 301 is. Om 3:01 in de middag, toen Hij opkeek naar de hemel en zei: ‘Het is volbracht’, begon de maan te verduisteren. Het was om 3:01 Greenwich-tijd dat de verduistering begon. God maakt geen fouten met Zijn timing, en Hij vertrouwt niet op toevalligheden. Het woord ‘maan’ in het Nieuwe Testament is Selene, en de gematria daarvan is 301. Ja, Hij die de maan had gevormd en in haar baan om de aarde had geplaatst, had nu Zijn menselijk leven opgegeven om 3:01, op een heuvel genaamd Calvary (301), precies op het moment dat de maan (301) begon te verduisteren. Het was het exacte uur waarop de priesters de lammeren voor het Pascha slachtten. ‘Lammeren’ [in het Hebreeuws] heeft een numerieke waarde van 301.”

[b4, Hfst. 1]

Interpretatie: Jones gebruikt gematria niet als speculatief hulpmiddel maar als bewijs dat God zowel de inhoud als het tijdstip van profetische vervulling nauwkeurig orkestreert.


Profetische timing: de derde uur als ankerpunt

Jones betoogt dat God niet alleen de dag maar ook het uur van profetische vervulling bepaalt. Dit illustreert hij via het derde uur (ca. 9:00 uur ‘s morgens):

“Het eerstelingenoffer [de schoof] werd in de tempel bewogen op het derde uur van de dag ‘de dag na de sabbat’ (Lev. 23:11). Viel het offer samen met Jezus’ opstanding? Nee, Jezus stond op voor de dageraad. […] Het eerstelingenoffer viel echter wel samen met Zijn hemelvaart om Zichzelf als levende in de hemelse tempel te presenteren.”

[b4, Hfst. 1]

Hetzelfde patroon geldt voor Pinksteren:

“De leerlingen op de dag van Pinksteren werden vervuld met de Geest en deden en zeiden vreemde dingen. Enkele omstanders dachten dat de leerlingen dronken moesten zijn. Petrus antwoordde hun in Hand. 2:15: ‘Deze mannen zijn niet dronken, zoals u veronderstelt, want het is pas het derde uur van de dag.’ Het derde uur van de dag was het tijdstip waarop de priester in de tempel aan God de Pinkstersoffering van twee tarwebroden bood die met zuurdesem waren gebakken (Lev. 23:17). De leerlingen wilden de Heilige Geest ongetwijfeld eerder ontvangen, maar God liet hen wachten tot het aangewezen moment — niet alleen de juiste dag, maar zelfs het precieze uur van de dag. Dit toont aan hoe belangrijk timing voor God Zelf is.”

[b4, Hfst. 1]


Feestdagpatronen als profetische agenda

Jones formuleert het grondprincipe van zijn getallenleer:

“Het is opnieuw een voorbeeld van hoe de feestdagen profetisch waren voor toekomstige gebeurtenissen — niet alleen voor WAT er komen zou, maar ook voor WANNEER.”

[b4, Hfst. 1]

En hij onderscheidt een dubbele toepassing:

“Er is, uiteraard, veel meer dat over deze lenteferestdagen geschreven kon worden, maar ons doel is slechts een achtergrond te bieden die nuttig zal zijn bij het begrijpen van de herfstfeesten en hun profetische boodschap met betrekking tot de wederkomst van Christus. Het Woord toont ons dat er ZOWEL een ervaringsmatige toepassing op individueel, persoonlijk niveau is ALS een vastgesteld tijdstip op historisch, collectief niveau.”

[b4, Hfst. 1]


De Bazuinendag: de eerste dag van de zevende maand

Jones verbindt de Bazuinendag (Num. 29:1; Lev. 23:24) met de onzekerheid over de Wederkomst:

“De Bazuinendag profeteert van de opstanding der doden. In joodse kringen is het de ‘Dag van de Wekkerroep’ genoemd. Omdat dit feest viel op de eerste dag van de zevende maand, viel het op een nieuwe maan — dat wil zeggen, wanneer de eerste sikkel van de nieuwe maan in de avondhemel verscheen aan het begin van elke maanmaand.”

[b4, Hfst. 2]

“Er was altijd enige onzekerheid over wanneer de nieuwe maan zou verschijnen of zichtbaar kon zijn (bij bewolking). Om deze reden sprak Jezus over Zijn komst in Matt. 25:13: ‘Wees daarom waakzaam, want u weet de dag noch het uur.’ Deze uitdrukking over het niet kennen van de dag noch het uur is een bijzondere Hebreeuwse uitdrukking, die zij specifiek toepasten op de Bazuinendag, waarvan het begin onbekend was totdat de nieuwe maan was waargenomen.”

[b4, Hfst. 2]


Twee trompetten, twee opstandingen

Jones legt uit dat de twee zilveren trompetten van Num. 10:2 een numeriek patroon vormen voor twee opstandingen:

“De wet suggereert dat er meer dan één opstanding zal zijn. Daarom beval God Mozes twee zilveren trompetten te maken. Wanneer de priester slechts met één trompet blies, moesten alleen de leiders, de hoofden van het volk, voor God vergaderen. Wanneer de priester met BEIDE trompetten blies, moest de gehele gemeente voor God vergaderen. Johannes vertelt ons in Openb. 20 dat er twee opstandingen zullen zijn, niet slechts één.”

[b4, Hfst. 2]

“De eerste opstanding omvat daarom alleen de hoofden van het volk — dat wil zeggen, degenen die geroepen zijn om te heersen in het Koninkrijk gedurende het Loofhuttentijdperk. Daarom spreekt Paulus over de ‘trompet’ (enkelvoud) die de engel zal blazen en hen uit de graven zal roepen. Dit vervult de profetie van Mozes van de enkele trompet die alleen de bestuurders van het volk zou oproepen.”

[b4, Hfst. 2]

Over het duizendjarige tijdperk:

“Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem regeren duizend jaar. Dit is duidelijk een gedeeltelijke opstanding, want niet alle mensen worden op dit moment tot leven gewekt. Alleen degenen die geroepen zijn om ‘met Christus duizend jaar te regeren’ worden in de eerste opstanding opgewekt.”

[b4, Hfst. 2]


De sabbatscyclus (getal 7) en het Jubeljaar (getal 50)

Jones beschrijft de numerieke structuur van de tijdsdeling in de Torah:

“De tijd was ingedeeld in zevenjarige ‘weken’. Elk zevende jaar was een sabbatsjaar voor de grond, waarbij niemand mocht zaaien of oogsten. […] Het Jubeljaar was anders. Het came aan het einde van zeven sabbatsjaren, aan het einde van 49 jaar.”

[b4, Hfst. 3]

De Schriftplaats voor het Jubeljaar citeert hij volledig:

“U moet ook voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zeven maal zeven jaar, zodat de tijdsspanne van de zeven sabbatsjaren negenenveertig jaar bedraagt. Dan moet u in de zevende maand op de tiende dag de ramshoorn luid laten schallen; op de Verzoendag moet u de ram’s hoorn door uw hele land laten schallen. U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het land voor alle inwoners ervan.” (Lev. 25:8-10)

[b4, Hfst. 3, citaat uit Lev. 25:8-10]

Over de drie soorten sabbat als drie niveaus van rust:

“Er zijn drie sabbatsniveaus (de 7e dag, het 7e jaar en het Jubeljaar), zo zijn er ook drie niveaus van rust die gelovigen kunnen ervaren. Deze rustmomenten corresponderen met de drie feesten.”

[b4, Hfst. 3]


Jakobs leven als numeriek patroon

Jones analyseert Jakobs biografie als heilshistorisch getal-patroon:

Over het getal 22 en de amandeltak:

“Het getal 22 betekent ‘licht’ in de Bijbel, en om deze reden komt het woord ‘licht’ 22 keer voor in het Evangelie van Johannes. Omdat er 22 letters in het Hebreeuwse alfabet zijn, is het getal 22 verbonden met het Woord, ofwel het licht van Zijn Woord. Er waren 22 amandelen op de kandelaar in de tabernakel van Mozes.”

[b4, Hfst. 4]

Over Jakobs diensttijd van 7+7 jaar:

“Jakob stemde er vervolgens mee in om zeven jaar voor Laban te werken als vervanging voor een bruidsschat voor Rachel. Aan het einde van de zeven jaar gaf Laban hem in plaats daarvan Lea… Laban beloofde Jakob vervolgens dat hij Rachel de volgende week ook kon trouwen, als hij ermee instemde nog eens zeven jaar voor hem te werken. Dit deed hij… Na 20 jaar dienstbaarheid verliet Jakob Laban in het 21e jaar om terug te keren naar Kanaän.”

[b4, Hfst. 4]

Over Jakobs vertrek in het Jubeljaar:

“Of hij het wist of niet is onbelangrijk, want ons wordt specifiek verteld dat God Jakob vertelde wanneer hij moest vertrekken (Gen. 31:11-13). God wist het, en daarom vertelde God hem te vertrekken op het 49e jaar van het 45e Jubeljaar. Jakob werd geboren in het jaar 2107 na Adam. Dit was in het 43e Jubeljaar. Hij stierf 147 jaar later in het 46e Jubeljaar. Jakobs bevrijding uit de dienstbaarheid vond plaats gedurende het laatste rustjaar (49e jaar) van het 45e Jubeljaar, en het jaar daarop keerde hij terug naar Bethel in het 45e Jubeljaar.”

[b4, Hfst. 4]

Over de twee kampen van Jakob als patroon van twee opstandingen:

“Bij Machanaïm (Gen. 32:2). De naam betekent in het Hebreeuws ‘twee kampen.’ Daar hoorde hij dat Esau op hem afkwam met 400 gewapende mannen. Jakob was bang en verdeelde zijn gezin, kudden en troepen in twee kampen (Gen. 32:7). God gebruikte de situatie om een zeer belangrijk patroon te stellen voor de vervulling van de Bazuinendag… We hebben al laten zien hoe de Bazuinendag het aangewezen tijdstip is voor de opstanding der doden. We hebben ook laten zien hoe God Mozes instrueerde twee trompetten te maken. Het blazen van slechts één trompet riep de bestuurders van het volk op, terwijl het blazen van beide trompetten de gehele gemeente (kerk) opriep. En zo verdeelde Jakob zijn huishouden in twee kampen. Dit profeteert van twee opstandingen.”

[b4, Hfst. 4]


De achtste dag van het Loofhuttenfeest

Jones beschrijft de numerieke structuur van het Loofhuttenfeest (7 + 1 dagen):

“In die dagen was het gebruikelijk dat de priester in de tempel elke ochtend gedurende zeven dagen van het Loofhuttenfeest een plengoffer van water uitschonk. Dit werd uitgeschonken uit een zilveren kruik. Op de ochtend van de achtste dag deden zij dit niet. Toen Jezus uitriep dat mannen naar Hem moesten komen om te drinken, betekende dit een ander soort water dat op de achtste dag van het Loofhuttenfeest zou worden uitgeschonken.”

[b4, Hfst. 7]

Jones ziet ook een patroon in de acht tekenen van het Evangelie naar Johannes:

“Er zijn in feite acht tekenen in het boek van Johannes. Ze zijn als volgt: Water in wijn veranderen (Joh. 2:1-10). De genezing van de edelman (Joh. 4:46-54). De genezing bij Bethesda (Joh. 5:1-13). De spijziging van de 5000 (Joh. 6:1-13). Het lopen op het water (Joh. 6:16-25). De genezing van de blinde (Joh. 9:1-7). De opwekking van Lazarus (Joh. 11:1-45). Het vangen van 153 grote vissen (Joh. 21:3-12)… Deze tekenen corresponderen met het Loofhuttenfeest.”

[b4, Hfst. 7]

Over de zeven processies rond het altaar (patroon van Jericho):

“Op elk van de zeven dagen van het Loofhuttenfeest vormden de priesters een processie en liepen om het altaar, terwijl zij Ps. 118:25 zongen… Op de laatste dag van het feest, dat wil zeggen de zevende dag, liepen de priesters zeven keer om het altaar. Alfred Edersheim zegt in The Temple, blz. 280: ‘Maar op de zevende [dag]… maakten zij zeven keer de omgang van het altaar, herinnerend aan hoe de muren van Jericho in soortgelijke omstandigheden waren gevallen, en anticiperend hoe, door de directe tussenkomst van God, de muren van het heidendom zouden vallen voor Jahweh.‘”

[b4, Hfst. 7]


Het teken van Jona: drie dagen en drie nachten

Jones analyseert de getallensymboliek in het teken van Jona (Jon. 1:17; Matt. 12:38-40):

“En de HERE beschikte een grote vis om Jona te verzwelgen, en Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis. In Mattheüs 12 vroegen de Farizeeën Jezus om een teken om te bewijzen dat Hij de Messias was. Hij gaf hun niet het soort teken dat zij wensten, maar Hij gaf hun wel een profetisch teken dat zij niet begrepen. Matt. 12:38-40 zegt: ‘want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.‘”

[b4, Hfst. 12]

Over de atomaire verandering bij de laatste trompet (1Kor. 15:51-52):

“Onder het Loofhuttenfeest zegt Paulus dat wij allen ‘veranderd zullen worden in een ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste trompet’ (1Kor. 15:51, 52). Het Griekse woord dat vertaald wordt als ‘ogenblik’ is atomos, wat letterlijk ATOMEN betekent. In de oudheid werd het woord gebruikt om het kleinste deeltje materie aan te duiden dat gesplitst kon worden. Paulus gebruikte het woord om een atomaire verandering in het materiële lichaam zelf aan te geven, die zou toelaten dat de heerlijkheid van God zich zou manifesteren, zoals het lichaam van Jezus na Zijn opstanding.”

[b4, Hfst. 12]

Over de achtdaagse reiniging en de voltooiing op de achtste dag:

“Door de twee duiven te identificeren met de reiniging van melaatsen over een periode van acht dagen, toont het dat het werk niet voltooid is voor de achtste dag van het Loofhuttenfeest van een bepaald jaar.”

[b4, Hfst. 12]