Stephen Jones — Hamartologie

b2 — The Restoration of All Things


Zonde en wet: de wet vernietigt de zonde, niet de zondaar

Jones formuleert in hoofdstuk 1 de hamartologische grondstelling van het hele boek:

“De wet vernietigt de zonde, niet de zondaar, en de oordelen van de wet vernietigen de zonde van de aarde, in plaats van de aarde zelf te vernietigen.”1 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.1

“Oordelen betekent het woord der waarheid recht snijden. Wanneer een rechter de getuigen heeft gehoord en heeft onderscheiden wie liegt en wie de waarheid spreekt, kan hij een gepast oordeel in de zaak vellen om de wettige orde te herstellen.”2 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.1

“liefde streeft naar de waarheid, en waar overtreding (zonde) is, corrigeert de liefde de zondaar door het oordeel der wet. Het hart van de zondaar mag natuurlijk zelfgericht en verhard zijn, en zo is vanuit zijn standpunt de wet kwaadaardig, maar deze waarneming is een illusie. Het doel van de wet is de zondaar te corrigeren en de wettige orde te herstellen.”3 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.1

“de goddelijke oordelen die over de aarde komen, zijn bedoeld om alle dingen te herstellen, niet om alle dingen te vernietigen.”4 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.1

Interpretatie: Jones stelt dat oordeel en veroordeling niet hetzelfde zijn. Goddelijke oordeelsvoltrekking heeft als doel het herstel van de wettige orde, niet de vernietiging van de zondaar. Dit heeft directe hamartologische implicaties: zonde wordt niet weggenomen door de wet af te schaffen, maar door de straf te betalen.

Zonde gedefinieerd via de wet: Universalisme vs. Restorationisme

Jones onderscheidt twee theologische modellen voor de omgang met zonde, met als kern het al dan niet handhaven van de wet:

“‘zonde is wetteloosheid’ (1 Joh. 3:4). Het wegdoen van de wet had in wezen het effect dat zonde gelegaliseerd werd, zodat mensen vervolgens elke zonde naar verkiezing konden plegen, met immuniteit van goddelijke vervolging.”5 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Paulus zegt: ‘waar geen wet is, is ook geen overtreding’ (Rom. 4:15). Wil iets een zonde zijn, dan moet er een wet zijn die die handeling tot zonde maakt. Het wegdoen van de wet is de manier van de mens om zonde te legaliseren of te decriminaliseren. Gods manier is de wet te erkennen en haar volledige straf te betalen, zoals Jezus deed aan het kruis.”6 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Het belangrijkste onderscheid tussen Universalisme en Restorationisme ligt in deze kwestie van goddelijk oordeel. De ene maakt geen voorziening voor enig oordeel, geen verantwoordelijkheid voor voorgaande daden, en maakt geestelijke groei uiteindelijk overbodig en irrelevant. De andere visie erkent de werkelijkheid en ernst van zonde, betaalt de volle straf zoals de wet eist tot uiteindelijke verzoening van de schepping, en redt toch gelovigen door geloof en ongelovigen door oordelen, tucht en geestelijke groei.”7 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Universalisme zoekt heel de mensheid te redden door de wet te vernietigen, wat haar overtreding onmogelijk zou maken, ongeacht wat een mens zijn naaste zou aandoen.”8 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

Interpretatie: Jones’ Restorationisme erkent de realiteit en ernst van zonde (contra Universalisme) terwijl het toch universeel herstel beoogt. De sleutel is dat de straf volledig wordt betaald, niet dat de wet wordt afgeschaft.

Zonde en schuld: corrigerend oordeel met een grens

Jones beargumenteert dat het goddelijke rechtssysteem zonde behandelt als schuld met een inherente begrenzing:

“De oordelen Gods zijn in de wet zelf vastgelegd. In de wet is er geen zonde die marteling in een letterlijk vuur waardig is. Het vuur is de ‘vurige wet’ zelf (Deut. 33:2). Zijn Woord is als een vuur (Jer. 23:29), want het doel ervan is te reinigen, te zuiveren en het schuim weg te branden om een volmaakt, voltooid product voort te brengen.”9 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Er was een grens aan het aantal slagen dat een zondaar voor lichte overtredingen kon ontvangen, evenals er een grens was aan het aantal jaren dat misdadigers tot slaaf gemaakt zouden worden. De Jubeljaarwet beperkte de tijd van slavernij en onterving tot een maximum van 49 jaar (Lev. 25:10). Zodanig is de genade in de Jubeljaarwet en in de wet van slagen. De gerechtigheid Gods sluit eindeloze straf niet in. Evenmin komt de genade Gods zonder gerechtigheid.”10 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Jesaja 26:9 zegt: ‘Want wanneer Uw oordelen op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid.‘”11 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

“Het belangrijkste punt om te begrijpen is echter dat de wet barmhartigheid samen met gerechtigheid voorschrijft. In de wet is een begrenzing van het oordeel over zonde ingebouwd.”12 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.2

Adams zonde: toerekening en de twee doden (hfst. 5)

Jones werkt in hoofdstuk 5 zijn centrale interpretatie van Rm. 5:12 verder uit:

“Paulus legt in Romeinen 5 uit dat Adams zonde aan ons allen werd toegerekend. Dit betekent dat wij allen aansprakelijk werden gesteld voor Adams zonde, alsof wij die hadden begaan. Wij waren juridisch schuldig, en zo ontvingen alle mensen de straf voor Adams zonde. Die straf was de dood, oftewel sterfelijkheid. Door sterfelijk of dood-bestemd te worden, werden wij moreel zwak of ziek, en dit heeft ons op zijn beurt doen zondigen. Wij ontvingen de dood — waarop allen zondigen.”13 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.5

“De meeste vertalingen, beginnend bij Hiëronymus’ Latijnse Vulgaat, zeggen ‘in welken allen gezondigd hebben’ (KJV) of ‘omdat allen gezondigd hebben’ (NASB), alsof zij willen zeggen dat wij sterfelijk werden omdat wij zondigden. Dit is onjuist. Wij zondigen omdat wij sterfelijk zijn, niet andersom. Wij worden sterfelijk geboren voordat wij gelegenheid hadden zelf te zondigen.”14 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.5

“De vertalers begrepen Paulus verkeerd, omdat zij dachten dat Paulus een fout had gemaakt. Zij dachten dat hij zijn uitspraak in Rom. 6:23, ‘het loon der zonde is de dood’, tegensprak. Zij begrepen niet dat het loon van Adams zonde de eerste dood was (sterfelijkheid) die op alle mensen werd overgedragen; en dat het loon van onze eigen persoonlijke zonden de tweede dood is — het oordeel der wet aan de Grote Witte Troon.”15 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.5

“Beide daden geschiedden buiten onszelf, niet door onze wil. Evenzo, gelijk wij allen deelden in de gevolgen van Adams zonde voordat onze wil gevormd was, zo delen wij ook allen in het heil dat door Christus’ rechtvaardige daad is teweeggebracht, welke geschiedde los van onze wil. Zoals Adams zonde resulteerde in de dood van ieder mens, zo resulteerde Christus’ rechtvaardige daad erin dat aan ieder mens uiteindelijk leven gegeven wordt.”16 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.5

“Toen Adam zondigde, werden hij en zijn vrouw en kinderen verkocht om de schuld te betalen die hij niet kon betalen. Sterker nog, heel zijn bezit werd verkocht om zijn schuld te betalen, en het was nog steeds onvoldoende om de schuld te betalen.”17 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.5 (met verwijzing naar Matt. 18:25)

[SPANNING met eerdere bron: Jones formuleert in b2/hfst. 5 de Adam–Christus parallel uitgebreider dan in b1/hfst. 9, maar de positie is consistent: mortaliteit als gevolg van toegerekende schuld, niet als ingieting van zondige natuur.]

Zonde als schuld en het go’el-principe (hfst. 7)

Jones legt in hoofdstuk 7 de juridische grondslag voor herstel via het kinsman-redeemer begrip:

“Je kunt alles aankopen, maar je kunt alleen dat verlossen wat je ooit hebt bezeten.”18 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“Indien een man de schuld voor zonde niet kan terugbetalen, ‘zal hij wegens zijn diefstal verkocht worden’ (Ex. 22:3).”19 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“een naaste verwant kreeg het recht van verlossing (Lev. 25:47-49), zolang hij voldoende geld had om de schuld te betalen. […] Het losserrecht van de naaste verwant gaat boven het verlangen van de slaafhouder om de slaaf in zijn bezit te houden.”20 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“Daarom moest Jezus komen als een mens van vlees en bloed. Hebreeën 2:11 zegt: ‘Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen.’ Verzen 14 en 15 zeggen: ‘Daar dan de kinderen aan vlees en bloed deel hebben, heeft Hij desgelijks ook aan dezelve deel genomen, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is den duivel.‘”21 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“Jezus had derhalve de MIDDELEN om heel de schepping te verlossen, en als naaste Verwant had Hij ook het wettige RECHT van verlossing.”22 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“De tijd van slavernij is de tijd van potentiële verlossing. Maar deze jaren van verlossing eindigen wanneer de verlossingswetten worden opgeslokt door de Jubeljaarwet. […] ‘En zo hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.’ (Lev. 25:54)”23 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

“God zal deze verlossing niet aan hen opdringen, ondanks Zijn liefde. Maar Hij weet dat Hij uiteindelijk, nadat de tijd van verlossing haar loop heeft gehad en nadat alle zonde gedurende die tijd is geoordeeld, eminent domain zal inroepen over heel de schepping door de Jubeljaarwet.”24 — Jones, The Restoration of All Things, Ch.7

Interpretatie: Zonde wordt door Jones consequent juridisch gedefinieerd als schuld (debt). Christus’ werk is primair het betalen van die schuld als naaste bloedverwant (go’el), niet alleen een morele of mystieke daad. Het Jubeljaarsprincipe garandeert uiteindelijke kwijtschelding van alle schuld.


Originele citaten

Footnotes

  1. “The law destroys the sin, not the sinner, and the law’s judgments destroy the sin from the earth, rather than destroying the earth itself.”

  2. “To judge means to rightly divide the word of truth. Once a judge has heard from the witnesses and has discerned who is lying and who is telling the truth, he is able to render a proper judgment in the case to restore the lawful order.”

  3. “love pursues the truth, and where there is offense (sin), love corrects the sinner through the judgment of the law. The sinner’s heart may be self-centered and hardened, of course, and thus from his viewpoint, the law is evil, but this perception is an illusion. The purpose of the law is to correct the sinner and restore the lawful order.”

  4. “the divine judgments that are coming upon the earth are meant to restore all things, not to destroy all things.”

  5. “‘sin is lawlessness’ (1 John 3:4). The putting away of the law essentially had the effect of legalizing sin so that men could then commit whatever sin they chose with immunity from divine prosecution.”

  6. “Paul says, ‘where there is no law, neither is there violation’ (Rom. 4:15). In order for something to be a sin there must be a law that makes that act a sin. Putting away the law is man’s way of legalizing or decriminalizing sin. God’s way is to recognize the law and then pay its full penalty, as Jesus did on the cross.”

  7. “The primary distinction between Universalism and Restorationism is in this matter of divine judgment. The one makes no provision for any judgment, no accountability for past actions, and makes spiritual growth unnecessary and irrelevant in the end. The other view recognizes the reality and seriousness of sin, pays its full penalty as the law demands for the ultimate reconciliation of creation, and yet saves believers by faith and unbelievers through judgments, discipline, and spiritual growth.”

  8. “Universalism seeks to save all mankind by destroying the law, which would then make its violation impossible, regardless of what a man might do to his neighbor.”

  9. “The judgments of God are established in the law itself. In the law, there is no sin worthy of torture in a literal fire. The fire is the ‘fiery law’ itself (Deut. 33:2). His Word is like a fire (Jer. 23:29), for its purpose is to cleanse, purify, and burn out the dross in order to bring forth a perfect, finished product.”

  10. “There was a limit on the number of lashes that a sinner could receive for misdemeanors, even as there was a limit on the number of years that felons would have to be enslaved. The Jubilee law limited the time of enslavement and disinheritance to a maximum of 49 years (Lev. 25:10). Such is the grace in the law of Jubilee and in the law of beatings. The justice of God does not include endless punishment. Neither does the grace of God come without justice.”

  11. “Isaiah 26:9 says, ‘For when the earth experiences Thy judgments, the inhabitants of the world will learn righteousness.‘”

  12. “The main point to understand, though, is that the law mandates mercy along with justice. Built into the law is a limitation on judgment for sin.”

  13. “Paul explains in Romans 5 that Adam’s sin was imputed to all of us. This means that we were all held accountable for Adam’s sin, as if we had done it. We were legally guilty, and so all men received the penalty for Adam’s sin. That penalty was death, or mortality. In becoming mortal, or death-ridden, we became morally weak or sick, and this, in turn, has caused us to sin. We received death—on which all sin.”

  14. “Most translations, beginning with Jerome’s Latin Vulgate, say ‘for that all sin’ (KJV) or ‘because all sinned’ (NASB), as if to say that we became mortal because we sinned. This is incorrect. We sin because we are mortal, not the other way around. We are born mortal before we had opportunity to sin for ourselves.”

  15. “The translators misunderstood Paul because they thought Paul had made a mistake. They thought he was contradicting his statement in Rom. 6:23, ‘the wages of sin is death.’ They did not understand that the wages of Adam’s sin was the first death (mortality) which was passed down to all men; and that the wages of our own personal sins is the second death—the judgment of law at the Great White Throne.”

  16. “Both acts were done outside of ourselves, not by our will. Likewise, even as we all shared in the consequences of Adam’s sin before our wills had been formed, so also do we all share in the salvation brought about by Christ’s righteous act, which was done apart from our wills. Just as Adam’s sin resulted in every man’s death, so also Christ’s righteous act resulted in every man being given life in the end.”

  17. “When Adam sinned, he and his wife and children were sold to pay the debt that he could not pay. In fact, his entire estate was sold to pay his debt, and it was still insufficient to pay the debt.”

  18. “You can purchase anything, but you can redeem only that which you once owned.”

  19. “If a man cannot repay the debt for sin, ‘he shall be sold for his theft’ (Ex. 22:3).”

  20. “a kinsman was given the right of redemption (Lev. 25:47-49), as long as he had sufficient money to pay the debt. […] The kinsman’s redemption right takes precedence over the slave-master’s desire to keep the slave in his possession.”

  21. “This is why Jesus had to come as a man of flesh and blood. Hebrews 2:11 says, ‘He is not ashamed to call them brethren.’ Verses 14 and 15 say, ‘Since then the children share in flesh and blood, He Himself likewise also partook of the same, that through death He might render powerless him who had the power of death, that is, the devil.‘”

  22. “Jesus therefore had the MEANS to redeem all of creation, and as a near Kinsman, he also had the lawful RIGHT of redemption.”

  23. “The time of bondage is the time of potential redemption. But these years of redemption end when the redemption laws are swallowed up by the law of Jubilee. […] ‘Even if he is not redeemed by those means, he shall still go out in the year of Jubilee, both he and his sons with him.’ (Lev. 25:54)”

  24. “God will not force this redemption upon them, in spite of His love. But He knows that in the end, after the time of redemption has run its course, and after all sin has been judged during that time, He will invoke eminent domain over all creation by the law of Jubilee.”