Cees & Anneke Noordzij — Hamartologie

b8 — Jezus’ wondertekenen in het Johannes-evangelie


Blindheid als gevallen toestand

In het voorbijgaan zag Hij een man, die sinds zijn geboorte blind was. […] De oorzaak van de blindheid was niet de zonde van de man zelf, of die van zijn ouders (Joh. 9:2). De aangeboren blindheid, waarvan hier sprake is, spreekt van de gevallen staat van de natuurlijke mens, die uit ‘Eden’ is verdreven!

— Noordzij, Jezus’ wondertekenen in het Johannes-evangelie, Teken 6 (De blindgeborene, Joh. 9:1-41)

Analytische noot: Noordzij interpreteert de blindheid niet als persoonlijke zonde, maar als beeld van de gevallen staat van de mensheid. De aangeboren blindheid verwijst naar Adams val en de daaruit voortvloeiende toestand van verdorvenheid waarin de natuurlijke mens is geboren — dus niet naar individuele schuld, maar naar de universele gevolgen van de val.


Zonde van ongeloof en gevolg

Had Israël niet achtendertig jaar lang in de woestijn rondgedoold als gevolg van de zonde van ongeloof?

— Noordzij, Jezus’ wondertekenen in het Johannes-evangelie, Teken 3 (De genezing in Bethesda, Joh. 5:1-18)

Analytische noot: In de genezing van een man die achtendertig jaar zwak was (Joh. 5:5) stelt Noordzij een parallel: zoals deze man zijn invaliditeit ervoer, leed Israël achtendertig jaar in de woestijn als gevolg van ongeloof (Deut. 2:14). Zonde — zowel persoonlijk ongeloof als collectieve afval van het volk — heeft tastbare gevolgen die zich uitstrekken over generaties heen.