Cees en Anneke Noordzij — Hamartologie

b2 — De ark van Noach


Zonde in de tijd van Noach

“In de dagen van Noach leefde men er op los. Geweld en onrecht hadden de overhand en daarom konden Gods gerichten (=rechtzettingen) niet uitblijven. Dat gebeurde door een watervloed.”

God zei: “Het einde van al het vleselijke (letterlijk vertaald) is door Mij besloten, want de aarde is vol geweld” (Gen.6:13-16).

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“Als in de dagen van Noach”.

Interpretatie: Noordzij verbindt universele menselijke zonde (geweld, onrecht) direct aan het goddelijk oordeel door de vloed. De woorden “al het vleselijke” worden letterlijk vertaald en als aanduiding van de zondige mensheid als geheel gebruikt.


Zonde van Achan: begeerte, toe-eigening en straf

“Achan antwoordde: ‘Ja, ik heb gezondigd tegen de Heer. Ik zag bij de buit een mantel van Sinear en tweehonderd sikkelen zilver, en een staaf goud van vijftig sikkelen zwaar, en uit begeerte heb ik dat meegenomen. Alles ligt in mijn tent, verborgen in de grond’” (Joz.7:21).

Noordzij beschrijft hoe door het lot de schuldige werd aangewezen en de collectieve gevolgen uitwerkt: “Israël heeft gezondigd en kan daarom niet standhouden tegen de vijand.”

De straf: “Achan werd gestenigd en met vuur verbrand, mèt zijn bezit, mèt het Babylonische kleed en mèt zijn gestolen zilver en goud” (Joz.7:25).

De theologische slotsom: “God geeft alleen de overwinning aan een volk, dat korte metten maakt met het Babylonische begeren.”

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“De zonde van Achan”.

Interpretatie: Achan is voor Noordzij type van individuele zonde (begeerte) met collectieve gevolgen. De zonde treft het hele volk Israël; schuld is hier zowel individueel als gemeenschappelijk. Straf omvat vernietiging van de zondaar én zijn bezittingen.


Misbruik van Gods Geest als hedendaagse zonde

“Achans maken de kracht van Gods Geest effectloos, stoppen die in de ‘grond’, in ‘eigen tenten’. […] Hebben wij christenen ons niet al te vaak als een Achan gedragen en ‘goud’ in ‘tenten’ verstopt, in aardse instituten en kerkgenootschappen?”

“Gods Geest was in ‘oude vaten’ gedaan, misbruikt om oude systemen op te lappen” (Luc.5:36).

“De gaven van heilige Geest waren goed genoeg om onze begeerten te bevredigen en om onze kerkgenootschappen wat meer glans te geven. Uit hebzucht wilden velen meer hebben van de heilige Geest, hebben, hebben, hebben (vgl.Jac.4:3). Zo ging ‘de nieuwe wijn’ verloren en werd ‘Babel’ voortgebracht.”

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“De zonde van Achan”.

Interpretatie: Noordzij breidt de Achan-typologie uit naar het heden: het toe-eigenen van geestelijke gaven voor eigen eer of institutionele belangen wordt als gelijksoortige zonde aangemerkt. Misbruik van de Geest is een specifieke hamartologische categorie in dit artikel.


Absalom en Adonia: opstand en zelfverheffing

“Deze twee koningszonen (kinderen van David) stierven beiden een smadelijke dood. Ze waren opstandig tegen hun vader.”

“‘Absalom schafte zich een wagen met paarden aan en vijftig mannen, die voor hem uit moesten lopen’” (2Sam.15:1). “‘Adonia was zo overmoedig te denken: Ik word koning. Dus schafte hij zich ook wagens en ruiters aan en vijftig mannen, die voor hem uitliepen’” (1Kon.1:5).

Theologische duiding: “Beide koningszonen typeren kinderen Gods, die de zalving van pinksteren hebben misbruikt, of nog misbruiken, om zichzelf te verhogen en de aandacht naar zichzelf toe te trekken.”

“Ieder die, hoe subtiel ook, de zegeningen van de Heer gebruikt ten eigen bate, doet Hem tekort.”

Het oordeel dat volgt: “‘De verwaten ogen van de mens moeten worden vernederd en mannentrots moet worden neergebogen, want de Heer alleen is verheven. Ja, alles wat zich verheft, zal vernederd worden’” (Jes.2:11-12).

“Alles wat niet alleen de Heer verheerlijkt, moet wankelen. Alleen Hem komt alle eer toe. De Almachtige geeft Zijn eer aan geen ander! (Jes.48:11).”

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“Absalom en Adonia”.

Interpretatie: Zelfverheffing met geestelijke middelen is bij Noordzij een expliciete zonde-categorie. De smadelijke dood van beiden fungeert als type van het oordeel over wie Gods gaven misbruikt voor eigen glorie.


Ahazia: afgodendienst als namaak van het ware

“Ahazia was helemaal de weg kwijt.”

Achtergrond: “Jerobeam had in Bethel en Dan een afgodendienst ingesteld… een imitatie van de tempeldienst in Jeruzalem… Hij zorgde voor eigen goden (twee gouden kalveren), voor een eigen pascha, een eigen pinkster- en een eigen loofhuttenfeest. Kortom: hij zorgde voor perfecte namaak.”

“Het is duidelijk dat dit alles een beeld is van het geraffineerde werk van de antichrist, die alles van de heilige Geest nadoet.”

“Al deze geschiedenissen zijn opgetekend ter waarschuwing voor ons (1Cor.10:11). Want ook heden ten dage heeft de antichrist een bijna perfecte namaak gecreëerd met zielse beleving in plaats van geestelijke, aardse gemeentebouw in plaats van hemelse.”

“‘Zieke Ahazia’s’ uit ‘Bethel’ hebben ‘gouden stieren’ als ‘afgoden’… Het is allemaal namaak, een gruwel voor de Heer.”

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“Ahazia en Elia”.

Interpretatie: Afgodendienst wordt bij Noordzij typologisch geduid als het religieuze bedrog van de antichrist. ‘Namaak’ van het geestelijke (zielse in plaats van geestelijke beleving) is de kern van deze zonde-categorie.


Gevolgen van zonde: terugtrekking van God en oordeel

“Als zo iets gebeurt, dan trekt God Zich terug. Wat met ‘hout, stro en stoppels’ tot stand is gebracht, wordt dan ‘verbrand’.”

“Elk aardsgericht, aardsgezind christendom is ten ondergang gedoemd.”

Bronverwijzing: Noordzij, De ark van Noach, §“De zonde van Achan”.

Interpretatie: Noordzij formuleert een hamartologisch principe: zonde — met name het misbruiken van geestelijke gaven voor aardse doelen — leidt tot Gods terugtrekking en uiteindelijk oordeel (‘verbranding’ van wat niet echt geestelijk is).