E.W. Bullinger — Godsleer
b1 — Getal in de Schrift: Zijn Bovennatuurlijk Ontwerp en Geestelijke Betekenis
Gods perfectie en eigenschappen (Part I, Hoofdstuk I)
Bullinger stelt in de voorrede dat zijn doel is:
“de gelovigen te versterken in hun allerheiligst geloof; en twijfelaars te overtuigen van de goddelijke volkomenheid en inspiratie van het Boek der boeken, tot lof en eer van God.”
— Bullinger, Number in Scripture, Voorrede
Aan het begin van Hoofdstuk I (Werken van God) definieert Bullinger Gods absolute perfectie als grondbeginsel:
“Er kunnen noch werken noch woorden zijn zonder getal. Wij kunnen begrijpen hoe de mens kan handelen en spreken zonder ontwerp of betekenis, maar wij kunnen ons niet voorstellen dat de grote en oneindige Schepper en Verlosser ofwel werkt of spreekt zonder dat zowel Zijn woorden als Zijn werken in elk bijzonder opzicht absoluut volmaakt zijn.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I
Vervolgens citeert hij twee Psalmen als schriftuurlijke onderbouwing van Gods volkomenheid:
“‘Want Gods weg is volmaakt’ (Ps. 18:30). ‘De wet des HEEREN is volmaakt’ (Ps. 19:7). Zij zijn beide volmaakt in kracht, volmaakt in heiligheid en gerechtigheid, volmaakt in ontwerp, volmaakt in uitvoering, volmaakt in hun doel en einde.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I
Over Gods heiligheid en gerechtigheid in al Zijn werken:
“‘De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen: en heilig in al Zijn werken’ (Ps. 145:17).”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I
Bullinger beschrijft hoe Gods wetshandhaving zichtbaar is in Zijn werken:
“In al de werken van God vinden wij niet alleen wat wij ‘Wet’ noemen, en een Wetgever, maar wij nemen ook een Wetshandhaver waar. Wij spreken van wetten, maar zij zijn op zichzelf niets. Zij hebben geen bestaan; zij bezitten geen kracht; zij kunnen zichzelf niet maken of uitvoeren. Wat wij bedoelen wanneer wij spreken van wet in de natuur is eenvoudig dit: God in actie.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I
Bullinger trekt de conclusie dat Gods perfectie direct doorsijpelt naar al Zijn werken:
“Omdat Hij volmaakt is, moeten ook Zijn werken en Zijn woorden volmaakt zijn.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I, Hoofdstuk I
Getal 3 als getal van goddelijke perfectie
Bij de bespreking van de vier volmaakte getallen stelt Bullinger:
“3 is het getal van goddelijke volkomenheid. 7 is het getal van geestelijke volkomenheid. 10 is het getal van ordinale volkomenheid. 12 is het getal van regeringsvolledigheid.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part I (inleiding getallenleer)
Interpretatie: Bullinger verbindt het getal 3 direct aan Gods eigen natuur als categorie van volmaaktheid, onderscheiden van de andere perfectiegetallen.
Eenheid van God — getal 1 (Part II)
Bullinger opent de behandeling van het getal Eén met een directe uitspraak over Gods eenheid:
“Er kan geen twijfel zijn over de betekenis van dit primaire getal. In alle talen is het het symbool van eenheid. Als kardinaal getal duidt het eenheid aan; als ordinaal duidt het primaat aan. Eenheid is ondeelbaar, en niet samengesteld uit andere getallen, en is daarom onafhankelijk van alle anderen en de bron van alle anderen. Zo is het met de Godheid. De grote Eerste Oorzaak is onafhankelijk van alles. Allen hebben Hem nodig, en Hij heeft geen hulp van wie dan ook nodig.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Over de exclusiviteit van Gods eenheid:
“‘Eén’ sluit alle verschil uit, want er is geen tweede waarmee het ofwel kan harmoniëren of in conflict kan treden.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Over de geloofsbelijdenis van Israël (Sjema) en de verhouding tot de Triniteitsleer:
“Wanneer er geschreven staat: ‘Hoor, o Israël, de HEERE uw God is één HEERE,’ ontkent dit de Leer van de Drievuldigheid niet, maar het sluit absoluut een andere Heer uit: het sluit daarmee alle afgoderij uit. Vandaar dat het Eerste Gebod verklaart: ‘Gij zult GEEN ANDERE GODEN hebben’ (Ex. 20:3). Het stelt dat er in God een toereikendheid is die geen ander nodig heeft; en een onafhankelijkheid die geen ander toelaat.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Over Gods primaat als beginsel van de Schrift:
“‘God eerst’ is de stem van de Schrift.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Over Gods onafhankelijkheid als Zijn heerlijkheid:
“Onafhankelijkheid, in God, is Zijn heerlijkheid. Onafhankelijkheid in de mens is zijn zonde, en opstand, en schande.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Aseïteit en namen van God (Part II)
Bullinger citeert reeksen Schriftpassages om Gods absolute primaat en aseïteit te illustreren:
“Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser de HEERE der heirscharen: Ik ben de eerste, en Ik ben de laatste; en buiten Mij is er geen God.” (Jes. 44:6)
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
“Vóór Mij is er geen God gevormd, en na Mij zal er geen zijn. Ik, ik ben de HEERE; en buiten Mij is er geen Heiland.” (Jes. 43:10-11)
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
“Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste.” (Openb. 1:11,17; 2:8; 22:13)
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE
Bullinger verbindt de namen ‘de Eerste en de Laatste’ aan drie dimensies van Gods uniek primaat:
“Hij is de enige. Er kunnen geen twee eersten zijn. Hij is de eerste in prioriteit van tijd. Hij is de eerste in superioriteit van rang, en Hij is de eerste in absolute suprematie.”
— Bullinger, Number in Scripture, Part II: ONE