Cees en Anneke Noordzij — Ecclesiologie
b6 — Van Pascha tot Loofhutten
Gemeente als twee broden — Hoofd en Lichaam (Lev. 23:17)
“Tijdens dit feest werd er niet één schoof bewogen, maar twee gerstebroden als eerstelingen voor de Heer (Lev.23:17). Dit heeft een diepe betekenis. ‘Twee’ duidt altijd op de volheid van Christus, op de Zoon en de zonen, op het Hoofd en het Lichaam.”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pinksterfeest’.
Interpretatie: De twee gezuurde broden van Pinksteren zijn typologisch de gemeente: Christus als Hoofd en de gelovigen als Zijn lichaam (de zonen). Noordzij ondersteunt dit met een reeks van ‘twee’-symbolen in de Bijbel: twee stenen tafelen (Ex. 31:18), twee rijen toonbrood (Lev. 24:6), twee cherubs op het verzoendeksel (Ex. 25:18-19), twee olijfbomen (Zach. 4:3), twee getuigen (Openb. 11:3).
Gemeente als ekklesia — drager van het Koninkrijkszuurdesem (Matt. 13:33)
“Het Koninkrijk van God is gelijk aan een zuurdesem dat een vrouw (=de ekklesia) nam en in drie maten meel deed (=in geest, ziel en lichaam), totdat het helemaal doorzuurd is (Matt.13:33, Luc.13:20-21). Dus, de gehele Gemeente zal eens helemaal doortrokken zijn van het ‘nieuwe’ van Gods Koninkrijk en ‘omhoog worden bewogen’!”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pinksterfeest’.
Interpretatie: De vrouw in de gelijkenis wordt geïdentificeerd met de ekklesia. Haar taak is het Koninkrijkszuurdesem in de gehele menselijkheid (geest, ziel en lichaam) in te brengen, totdat de gemeente volledig doortrokken is van het nieuwe van Gods Koninkrijk. Het doel is verheffing naar de hemelse gewesten, niet terugkeer naar het begin.
Eenheid in de Geest (Hand. 4:32)
“De menigte gelovigen was één van hart en ziel. Niet één zei dat iets van wat hij bezat zijn persoonlijk eigendom was: ze hadden alles gemeenschappelijk (Hand.4:32). Net zo reëel als Jezus ‘Zijn plaats innam aan Gods rechterhand’ (Ef.1:20), zo reëel werden deze gelovigen ‘mede opgewekt en mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten’ (Ef.2:6). Het gevolg was eenheid in de Geest, onbaatzuchtigheid, volharding en trouw.”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pinksterfeest’.
Interpretatie: Pinkstereenheid is niet organisatorisch maar pneumatologisch: de uitstorting van de Geest resulteerde in gemeenschap van goederen en eenheid van hart. Noordzij benadrukt dat deze eenheid zich uitstrekte tot Samaritanen (Hand. 9:31) en heidenen (Hand. 10:45) — de Pinksteren-gemeente overschrijdt etnische grenzen.
Gelovige als lid van een “heilige natie” (2Pet. 2:9)
“Nu staat op identieke wijze iedere gelovige aan een nieuw begin, als hij zich uit ‘Egypte’ laat leiden. Dan wordt hij bevrijd van de slavernij van het vlees en dan begint er voor hem een ‘nieuw’ leven, als lid van een ‘heilige natie’ (Ef.2:5, 2Petr.2:9).”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pascha’.
Interpretatie: Het Pascha-type wordt ecclesiologisch uitgewerkt: de gemeente bestaat uit hen die uit het ‘Egypte’ van het vlees zijn verlost. Het begrip ‘heilige natie’ (2Pet. 2:9) definieert de gemeenteidentiteit als afgezonderd volk van God — niet primair institutioneel maar bevrijdingsthematisch.
Avondmaal — geestelijk vs. ceremonieel (1Kor. 11:20)
“Paulus moest al tegen de Corinthiërs zeggen: ‘Wanneer jullie bijeenkomen, is dat niet het eten van de Heer’ (1Kor.11:20). Ze deden dat nog steeds ‘oud’, als rite, uiterlijk, ziels-vleselijk, als onmondigen in Christus (1Kor.3:1). Dat bracht geen waarachtig leven met de Heer en met elkaar (1Kor.10:14-22). Dus was er correctie nodig (1Kor.11:29).”
“De ‘oude’ tekenen gelden tijdelijk, totdat het ‘nieuwe’ komt (vgl. Hebr.8:7,13). ‘Zo dikwijls jullie dit brood eten en de beker drinken, verkondigen jullie de dood van de Heer totdat Hij komt’ (1Kor.11:26). Totdat Hij in ons komt!”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pascha’.
Interpretatie: Noordzij plaatst het ceremoniële avondmaal als tijdelijk ‘oud’ teken tegenover de geestelijke realiteit van het innerlijk eten en drinken van Christus (Joh. 6:54). De externe rite verwijst naar zijn eigen opheffing: “totdat Hij in ons komt” (vgl. Openb. 3:20). Dit sluit aan bij de consequente geestelijk-typologische hermeneutiek die ook in b5 zichtbaar is.
Priesterlijke natie en bediening van verzoening (2Kor. 5:18-19)
“Die zonen vormen een priesterlijke natie en zullen ‘de ongerechtigheid tegen het heiligdom begaan wegdragen’ (Num.18:1). Ze ‘lijden voor het volk en vullen in hun vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus ten behoeve van de Gemeente’ (Kol.1:24). Voor haar geeft God hun ‘de bediening van verzoening’ en vertrouwt Hij hun ‘het woord van verzoening’ toe (2Kor.5:18-19).”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘De grote Verzoendag’.
Interpretatie: De priesterlijke zonen (als typologische ‘tweede bok’ van de Grote Verzoendag) zijn dragers van de verzoeningsbediening. Hun taak omvat niet slechts verkondiging maar ook participatief meelijden (Kol. 1:24). [SPANNING met institutionele kerkmodellen die verzoening exclusief aan een ambt toewijzen]
Groei naar volheid van Christus (Ef. 4:15)
“Met andere woorden: het ware Lichaam van Christus zal een proces doormaken van ‘groei’ en ‘rijping’, van ‘dors-, wan- en maal’-ervaringen, van kneding tot ‘één deeg’, van ‘doorzuring’, ‘bakken’ en ‘bewogen worden’ naar ‘de hemelse gewesten’.”
“Totdat we, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem zijn toegegroeid, die het Hoofd is (Ef.4:15).”
Noordzij, ‘Van Pascha tot Loofhutten’, sectie ‘Het Pinksterfeest’.
Interpretatie: De gemeente is niet statisch maar doorloopt een transformatieproces. Het doel is de ‘volheid van Christus’ (Ef. 4:13), niet de terugkeer naar de eerste gemeente. [SPANNING met hersteltheologie die Handelingen 2 als eindmodel ziet — zie ook b5, sectie ‘Eén kudde en één herder’]