George Warnock — Ecclesiologie

b5 — Van Tent tot Tempel


Kerk als Woonstede Gods in de Geest

In de Preface formuleert Warnock de centrale these van het boek: alle voorgaande tempels waren slechts voorbereidende stadia; de enige tempel die God ooit verlangde is de menselijke tempel van de verlosten:

“De enige tempel die God ooit verlangd heeft is nu in wording — een heilige Tempel van de verlosten der aarde, een ‘woonstede Gods in de Geest.’ En wanneer God Zijn thuis vindt in de harten van Zijn verlosten, rust Hij volkomen.” — George H. Warnock, From Tent to Temple, Preface

“Telkens wanneer het doel van de tempel werd verdraaid tot iets wat de mens ‘voor de eer van God’ had gebouwd, aarzelde God niet om het te verlaten.” — Preface

Warnock citeert Jes. 66:1-3 als goddelijke aanklacht tegen de menselijke tempelbouw: God zoekt niet tempels of offers, maar de mens die arm van geest is en beeft voor Zijn Woord.

Interpretatie: Het ‘van tent tot tempel’-schema is voor Warnock een heilshistorisch progressiemodel: Tabernakel → Tent van David → Tempel van Salomo → Tempel van Ezéchiël → Tempel van Zerubbabel → Tempel van Herodes → de Kerk als Zijn Lichaam. Elk station was een ‘middel van genade’ tot de uiteindelijke woonstede werd geopenbaard in Christus en daarna uitgebreid in Zijn Gemeente.


Kerk als Uitbreiding van het Incarnatielichaam

In hoofdstuk 7 onderscheidt Warnock de Kerk scherp van een ‘tweede lichaam’ van Christus: zij is dezelfde Heilige Geest die het lichaam van Jezus bereidde, nu aan het werk in een groter lichaam:

“Dit uitgebreide Lichaam — want de Kerk is niet een ánder Lichaam, maar veeleer een grotere volheid van het Lichaam waarin Jezus leefde toen Hij hier was — dit uitgebreide Lichaam dat in wording is, zal even wonderbaarlijk ontvangen worden van God en even zorgvuldig gedisciplineerd en gekoesterd worden als de Eniggeboren Zoon van God.” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 7

“En dit Lichaam zal de volle heerlijkheid van Christus openbaren op dezelfde wijze waarop de Heer Jezus de volle heerlijkheid van de Vader openbaarde.” — hfst. 7

De parallel met de voorbereiding van Jezus’ geboortelichaam wordt door Warnock uitgewerkt: Maria, Jozef, Simeon, Anna, Johannes de Doper — allen hadden een kleine maar soeverein geplande rol. Zo is ook de Kerk nu in voorbereiding:

“Om te wachten en te wachten en te wachten op dit Lichaam dat tevoorschijn komt in de aarde, zonder te proberen zelf één te fabriceren door de blauwdrukken van de nieuwtestamentische Kerk te bestuderen.” — hfst. 7

Interpretatie: Warnock plaatst de Kerk in directe incarnatorische continuïteit met Christus. [SPANNING met gebruikelijke incarnatie-ecclesiologie: Warnock onderscheidt zich van Nee/Lee door de continuïteit te plaatsen in de werkzaamheid van dezelfde Geest, niet in de uitbreiding van de zevenvoudige Geest of de Trinitaire inwoning als zodanig.]


Kerk als Volheid van Christus (Pleroma)

Warnock bespreekt Ef. 1:23 en Ef. 3:19 als de ecclesiologische norm voor de Gemeente:

“Wij hebben er geen enkel probleem mee te geloven dat de ‘volheid’ (Gr. Pleroma) van de Godheid in Christus woonde, en de aard en het karakter van God ten volle openbaarde. Maar velen hebben moeite met de uitspraak dat de Kerk ‘Zijn lichaam, de volheid [Gr. Pleroma] van Hem die alles in allen vervult’ is (Ef. 1:23).” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 7

“Dit is niet slechts een positionele regeling, iets buiten ons bereik dat voor de hemel gereserveerd is; want de apostel gaat voort met te bidden voor Gods volk dat zij in gemeenschap ‘met alle heiligen’ mogen komen tot dat heerlijke gebied van onmeetbare liefde en onmeetbare genade, zelfs tot dat gebied waar zij ‘VERVULD zijn met de gehele volheid Gods’ (Ef. 3:19).” — hfst. 7

Warnock benadrukt dat Paulus dit bad vanuit de Heilige Geest, niet uit menselijke geestdrift, en dat dit gebed voor de eindtijdskerk bewaard is gebleven met een reden.


Eenheid van de Kerk: Trinitarisch, niet Institutioneel

Hoofdstuk 7 bevat een expliciete polemiek tegen het oecumenisch gebruik van Joh. 17:

“Dit wordt gewoonlijk afgekort tot een slogan van zes woorden, zo gangbaar tegenwoordig in oecumenische kringen: ‘OPDAT ZIJ ALLEN ÉÉN ZIJN…’ Maar dit is niet waarvoor Jezus bad!” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 7

“Want de Here heeft consequent Zijn ongenoegen getoond met elk kerkelijk systeem dat zich ten doel heeft gesteld mensen bijeen te brengen in welke vorm van eenheid dan ook die niet het werk van de Heilige Geest is. Een dergelijk doel brengt slechts een andere uitwerking van een Babylonisch systeem voort.” — hfst. 7

De ware eenheid is trinitarisch van aard: “Zoals Gij, Vader, in Mij zijt en Ik in U, opdat ook zij in Ons één zijn” (Joh. 17:21, geciteerd door Warnock).

“Gevoegd worden in een vitale verbinding met de Zoon en de Vader, met datzelfde karakter van eenheid dat bestaat tussen de Vader en de Zoon? Onmogelijk! Zeker — als wij proberen het te laten gebeuren. Maar mogelijk bij God!” — hfst. 7

Interpretatie: Warnock plaatst de oecumenische beweging in de Babylon-typologie (vgl. b1 en b3). Ware eenheid is niet institutioneel maar pneumatologisch-organisch: zij ontstaat doordat elk lid van de Gemeente in vitale verbinding met Christus wordt gevoegd. [Consistent met b2 hfst. 5 en b3 hfst. 6.]


Kerkregering: Theocratisch, niet Democratisch

In hoofdstuk 3, bij de bespreking van de voorbereiding van Salomo’s tempel, formuleert Warnock zijn visie op kerkregering:

“God heeft in geen enkele tijd een democratische orde voor Zijn volk geautoriseerd, en zeker niet voor Zijn Kerk.” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 3

Het lot (als instrument van goddelijke aanwijzing) contrasteert hij met de geheime stemming: de geheime stemming is bedoeld opdat de wil van de mens geschiede, terwijl het lot er voor zorgt dat Gods wil geschiede.

“‘Bestuur’ is even duidelijk een gave en bediening van de Geest als wonderen, genezingen, tongen, profetieën, enzovoort (1Kor. 12:28). En God zal dit democratisch systeem dat wij in de Kerk hebben — evenals in de wereld — nog verdringen.” — hfst. 3

De 24 priestervorsten van Salomo’s tempel corresponderen voor Warnock met de 24 oudsten in Openb. 4:4 — gekleed in priestergewaden, maar met gouden kronen: koningen én priesters (Openb. 5:10). Zij waren niet gekozen door het volk maar aangewezen door God.

[Consistent met b3: gezag vloeit voort uit gemeenschap met Christus, niet uit ambt of democratische aanstelling.]


Kritiek op de Menselijke Opbouw van de Kerk

In hoofdstuk 3 keert Warnock zich expliciet tegen pogingen om de Nieuwtestamentische kerkorde te reconstrueren:

“Christelijke leiders proberen vurig de Kerk te herbouwen in een vergeefse poging haar terug te brengen naar het nieuwtestamentische patroon en de orde, en het is allemaal tevergeefs. God heeft iets beters in gedachten dan de Tent van David, iets beters in gedachten dan de vroege Kerk.” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 3

“Laten wij tevreden zijn met alleen te doen wat wij weten dat God op dit uur van ons wil. Laten wij gewoon in de Geest wandelen en de Meester-Bouwer Zijn eigen Kerk laten bouwen.” — hfst. 3

In hoofdstuk 7 past Warnock het principe van Joh. 15:5 toe: “Los van Mij kunt gij niets doen” betekent niet dat wij met Zijn hulp veel kunnen doen, maar dat buiten de levensstroom van Christus niets tot stand gebracht wordt dat stand houdt:

“Te lang is aangenomen dat wij, omdat wij met geestelijke gaven verrijkt zijn… of omdat wij apostelen, profeten of leraren zijn…, door de Here gemachtigd zijn om voort te gaan en deze gaven en bedieningen te laten werken en Zijn Kerk te bouwen.” — hfst. 7


Eschatologische Voltooiing: de Glorieuze Kerk en de Eindtempel

In hoofdstuk 3 beschrijft Warnock de toekomstige Kerk als de oogst-Kerk:

“De glorieuze Kerk — zonder vlek, rimpel of smet, of iets dergelijks — is de oogst-Kerk.” — George H. Warnock, From Tent to Temple, hfst. 3

In hoofdstuk 7 verbindt Warnock het eschatologische eindpunt van de tempelbeweging met Openb. 21:

“En ik, Johannes, zag de heilige Stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, bereid als een bruid, getooid voor haar man… En een tempel zag ik daarin niet; want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.” (Openb. 21:2, 22, geciteerd door Warnock) — hfst. 7

“Christus zal voor Zichzelf een glorieuze Kerk ontvangen, zonder vlek, rimpel of smet… of iets dergelijks. En God zal die woonstede voor Zichzelf gevonden hebben waarnaar Zijn hart door eeuwige tijden heeft verlangd.” — hfst. 7

Interpretatie: Voor Warnock is de opheffing van de tempel in Openb. 21 niet een ontkenning van de kerk maar haar voltooiing: God en het Lam zelf zijn de tempel, en de Gemeente is daarin opgenomen. Het ‘van tent tot tempel’-schema eindigt in de opheffing van alle tussensymbolen.