Cees Noordzij — Christologie

b3 — De ark van Noach


1. Ark als type van Christus / Christus als toevlucht

“Want net als in de tijd van Noach (=rust) laat God ook nu een ‘ark’ bouwen als ‘schuilplaats’ voor wat er gebeurt als er een ‘nieuwe aarde’ komt, een ‘nieuwe orde’. De ‘ark’ nu is ‘de Christus’, met Jezus als onze ‘Noach’. Hij zegt: ‘Kom tot Mij, Ik zal je rust geven’.” — §Inleiding

“Wie de geestelijke waarheden van de getallen 300, 50 en 30 kent in zijn eigen leven, is met Noach ‘in de ark’, ‘in Christus’. ‘Wie overwint (=300), zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn (=30)’ (Op.21:7).” — §Tenslotte

Analytische noot: De ark van Noach wordt expliciet geïdentificeerd met “de Christus”. Jezus neemt de rol van Noach over: de ark is nu Zijn persoon, en “in Christus zijn” is equivalent aan “in de ark zijn”. Dit is een consequente typologische identificatie waarbij het OT-type volledig oplost in de NT-werkelijkheid van Christus.


2. Noach als type van Jezus

“Ook nu wil God, dat er een ‘ark’ gebouwd wordt voor de ‘acht’, als schuilplaats voor het ‘uur der beproeving’, dat de hele ‘aarde’ zal bedekken. […] Want net als in de tijd van Noach (=rust) laat God ook nu een ‘ark’ bouwen als ‘schuilplaats’.” — §Als in de dagen van Noach

“Ja, de heerlijkheid van de ‘acht arkbewoners’, van hen die ‘in Christus’ zijn, zal zijn tot heil van een gans ‘nieuwe’ schepping (Rom.8:19-21).” — §Inleiding

Analytische noot: Noach (=rust) is type van Jezus als brenger van rust en verlossing. De acht arkbewoners typeren degenen die “in Christus” zijn. De parallellie wordt doorgevoerd: de vloed staat voor loutering in de eindtijd, de ark voor bescherming in Christus.


3. Verlossing in Christus — typologische grondslag

“Salomo had driehonderd kleine schilden van geslagen goud. […] In Christus is meer! In Hem is de werkelijkheid, de waarheid van alle schaduwbeelden (Joh.1:17). Voor wie in Christus is geldt: ‘Hij is ons van God (=goud) geworden verlossing’ (1Cor.1:30), een veilig schild, een goddelijke beschutting voor onze gehele mens: driehonderd schilden van drie minen goud!” — §Salomo’s schatkamer

“Op zulke ‘mannen’ wacht de ganse schepping om te worden verlost (Rom.8:19). En ze zal worden verlost! Door ‘2x8x3x300’ zonen Gods, door de ‘volheid van Christus’ (Ef.4:13, Ob.21).” — §De Gideonsbende

Analytische noot: Salomo’s schilden zijn een schaduwbeeld (Joh.1:17); in Christus is de volledige werkelijkheid van verlossing aanwezig (1Cor.1:30). Het getal 300 symboliseert volkomen verlossing — geest, ziel én lichaam — die alleen in Christus volledig is.


4. Gideon als type van Christus / verlossingswerk

“De Heer zei hem: Door driehonderd mannen zal Ik Mijn volk verlossen en Midian in uw macht geven. […] Wat een verlossing! Een verlossing, die niet tot stand kwam door kracht of door geweld, maar door de Geest van de Allerhoogste.” — §De Gideonsbende

“Gideon trachtte destijds ‘koren’ voor de vijand in veiligheid te brengen […]. Maar 300 bleven er over. Dat overkwam ook de Heer Jezus: veel van Zijn discipelen gingen op een gegeven moment niet langer meer met Hem mee (Joh.6:66). En ook nu zijn er maar weinigen die het Lam blijven volgen waar Hij ook heen gaat (Op.14:4).” — §De Gideonsbende

Analytische noot: De drie-staps-parallel is opvallend: Gideons 300 → het Lam volgen (Op.14:4) → zonen Gods die de schepping verlossen (Rom.8:19). Gideon is type van Christus als verlosser; de verlossing geschiedt niet door menselijke kracht maar door Gods Geest.


5. Henoch als type van opstanding / verheerlijking

“Henoch (=ingewijde) kende volledige verlossing, ook van ‘het lichaam van deze dood’ (Rom.7:24). Zijn hele wezen gehoorzaamde aan de Geest. Hij stierf geen dood, maar de Heer nam hem op, als teken van hen, die Jezus geheel zullen kennen als de ‘Ik ben de opstanding en het leven’ (Joh.11:25).” — §Henoch

“Maria zalfde de Christus vlak voor Zijn sterven met mirre, niet alleen het hoofd, maar ook de voeten (Marc.14:3, Joh.12:3). De waarde van die mirre was driehonderd schellingen (Joh.12:5). Niet alleen het ‘Hoofd’, maar ook de ‘voeten’ zouden lijden en volledig verlost zijn!” — §Henoch

Analytische noot: Christus’ eigen opstandingsleven (Joh.11:25) wordt via Henoch’s opname als type voorgesteld. De zalving met mirre (300 schellingen) wordt betrokken op zowel Christus als het gehele Lichaam van Christus — Hoofd én voeten — als deelhebbers in Zijn lijden en verheerlijking (Rom.8:17).


6. Jezus als Voorloper — priesterlijk ambt

“Jezus ging als eerste binnen (Hebr.4 en 6:20). Hij is onze voorloper! En als wij die weg leren gaan, zal ook ons ‘voorhangsel’ tot het heiligdom scheuren, ook ons ‘vlees’ met ‘mirre’ worden gezalfd, ook onze ‘kruik’ worden gebroken.” — §De drie voorhangsels

“Jezus Christus in ons is de hoop der heerlijkheid, een hoop, die reikt tot binnen het voorhangsel” (Col.1:27, Hebr.6:19).” — §De drie voorhangsels

Analytische noot: Jezus’ priesterlijk ambt wordt geframed als voorloper door de drie voorhangsels van de tabernakel. Hebr.6:20 (“voorloper”) is het kernbegrip. Het priesterschap strekt zich in de auteurs’ typologische lezing uit tot “het Lichaam van Christus”: wie Hem volgt, gaat met Hem door het voorhangsel tot in het heilige der heilige.


7. Jubeljaar als voltooiing van verlossing in Christus

“Het jubeljaar getuigt van de wederoprichting (=het herstel) van alle dingen (Hand.3:21). Alles wat iemand rechtens toekwam, kwam weer in zijn bezit. Vrijheid werd in het hele land afgekondigd voor alle bewoners. Verarmde families kregen al hun vroegere bezittingen terug. Elke gevangenisdeur werd geopend, alle ketens verbroken, slaven vrijgelaten.” — §Het jubeljaar

“Na negenenveertig jaar zult u het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor alle bewoners. Dan zal iedereen tot zijn bezittingen en tot zijn geslacht terugkeren. Een jubeljaar zal dat vijftigste jaar voor u zijn (Lev.25:8-11).” — §Het jubeljaar

“Paulus noemt de doop met de heilige Geest het onderpand van de erfenis. […] Die openbaring is nabij! Eerst in de Zijnen (Gal.1:16, Col.2:27). Dan aan de ganse schepping (Rom.8:19).” — §Tenslotte

Analytische noot: Het jubeljaar wordt ecclesiologisch en eschatologisch geladen: de uitstorting van de Geest (Hand.2) is de aanvang van het jubeljaar, de voltooiing is de “wederoprichting van alle dingen” (Hand.3:21). [SPANNING met b1]: In b1 staat Luc.4:18-19 centraal als jubileum-inauguratie door Jezus’ eigen aankondiging; in b3 wordt het jubeljaar primair pneumatologisch-eschatologisch geframed (uitstorting Geest op Pinksteren → voltooiing in de zonen Gods).


8. Christus als het Lam

“En ook nu zijn er maar weinigen die het Lam blijven volgen waar Hij ook heen gaat (Op.14:4).” — §De Gideonsbende

“Jezus heeft ‘300’ broeders van goud (=zonen Gods) in Zijn ‘huis’ op ‘Sion’ (Op.14:1-5). Die verlosten zijn niet alleen gered, maar ook geheel losgekocht van de ‘aarde’, gekocht uit de mensen, volledig overwinnaar.” — §Salomo’s schatkamer

Analytische noot: “Het Lam” (Op.14:4) verwijst naar Jezus als offer en volgeling-leider tegelijk. Op.14:1-5 (het Lam op de berg Sion) fungeert als richtpunt voor de verlossingseschatologie: de verlosten zijn bij het Lam, losgekocht en volledig overwinnaar.


Ontbrekend in deze bron

  • Hypostatische unie / twee-naturen-leer (niet behandeld)
  • Kenosis (niet expliciet)
  • Maagdelijke geboorte (niet behandeld)
  • Satisfactieleer / plaatsvervangende verzoening als dogmatische categorie (niet expliciet)
  • Hemelvaart als zelfstandig thema (niet behandeld)