Stephen Jones — Bibliologie
b2 — The Restoration of All Things
Hermeneutiek: vertaaltheologie en gezag van de brontekst
De betekenis van αἰώνιος / aionian
-
Citaat: “Het Griekse zelfstandig naamwoord aion betekent ‘een eon’ of ‘een tijdperk’. Zijn bijvoeglijke vorm is aionios, hetgeen betekent ‘tijdperk-blijvend’ of ‘behorende tot een tijdperk’.”1 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “Aan het einde van de vierde eeuw, toen Hiëronymus het Griekse Nieuwe Testament in zijn Latijnse Vulgaat vertaalde, had hij twee Latijnse woorden die een ruwe equivalent waren van aionian. Dat waren aeternum en seculum. Aeternum is waar wij ons woord ‘eeuwig’ van krijgen, en seculum is waar ons woord ‘seculier’ (werelds) vandaan komt.”2 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “Aeternus had een dubbele betekenis: (1) eindeloze tijd, en (2) een tijdperk of een beperkte tijdsperiode.”3 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3 (onder citaat van Augustinus’ City of God, XXII, i)
-
Interpretatie: Jones beschrijft een concrete historische vertaalgeschiedenis: het Griekse aionian had een beperkte tijdsbetekenis die in het Latijn door Hiëronymus werd omgezet in een woord (aeternum) met dubbele betekenis.
Augustinus’ vertaalfout en haar gevolgen
-
Citaat: “Augustinus zelf was een tijdgenoot van Hiëronymus in de vijfde eeuw, maar Augustinus kende geen Grieks. Peter Brown schrijft in zijn boek, Augustine of Hippo, p. 36: ‘Augustinus’ verzuim om Grieks te leren was een ingrijpend slachtoffer van het laat-Romeinse onderwijssysteem; hij zal de enige Latijnse filosoof in de oudheid worden die feitelijk geen Grieks kent.‘”4 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “Toen Augustinus dus het Nieuwe Testament in het Latijn las, vatte hij het woord aeternus op als eindeloze tijd, in plaats van een onbepaalde tijdsperiode. Door zijn invloed werd deze definitie in wezen vastgelegd als de standaardbetekenis van aeternus — en naarmate de eeuwen verstreken, werd deze betekenis als de equivalent gezien van het Griekse woord aionian.”5 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “Toch werd Augustinus’ fout hem later blijkbaar gewezen, maar het is vaak moeilijk om eigen onderwijs te corrigeren wanneer dat onderwijs eenmaal door het publiek is aanvaard.”6 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Interpretatie: Jones stelt dat Augustinus’ onvermogen om Grieks te lezen de Latijnse en latere westerse kerk heeft geleid tot een structurele hermeneutische fout: ‘eeuwig’ in plaats van ‘tijdperkgebonden’. Dit is voor Jones een paradigmatisch voorbeeld van hoe vertalingen het gezag van de brontekst kunnen ondermijnen.
Bevestiging door geleerden
-
Citaat: “Dr. F.W. Farrar vertelt ons hierover in zijn boek Mercy and Judgment, p. 178: ‘Aangezien aion “tijdperk” betekende, betekent aionios eigenlijk “behorend tot een tijdperk” of “tijdperk-lang”, en wie beweert dat het “eindeloos” moet betekenen verdedigt een positie die zelfs Augustinus twaalf eeuwen geleden praktisch heeft losgelaten.‘”7 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “zoals Dr. Bullinger zegt in Appendix 129 van The Companion Bible: ‘het kan beperkt of uitgebreid worden zoals de context van elk voorkomen vereist.‘”8 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Interpretatie: Jones onderbouwt zijn vertaalstandpunt met gezaghebbende geleerden (Farrar, Bullinger) buiten zijn eigen traditie om aan te tonen dat zijn lezing wetenschappelijk gedragen is.
Vier moderne vertalingen die het correct weergeven
-
Citaat: “Er zijn ten minste vier moderne vertalingen die het woord aionian correct weergeven. Young’s Literal vertaalt het als ‘age-during’ (tijdperk-durend). Rotherham’s The Emphasized Bible geeft het weer als ‘age-abiding’ (tijdperk-blijvend). Wilson’s Emphatic Diaglott en The Concordant New Testament laten het oorspronkelijke Griekse woord intact en gebruiken eenvoudigweg aionian.”9 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Interpretatie: Jones hanteert de aanwezigheid van andersluidende vertalingen als bewijs dat zijn exegese niet eigengereid is maar breed gedragen wordt door conscientious vertalers.
Hermeneutiek: gezag van de brontekst boven vertalingstradities
-
Citaat: “wanneer u ‘eeuwig’ (‘everlasting’ of ‘eternal’) in de Bijbel leest, kunt u deze vertalingen niet voor zoete koek aannemen. Het Hebreeuwse woord olam en zijn Griekse equivalent aionian betekenen eigenlijk ‘een tijdperk, een onbepaalde tijdsperiode’.”10 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Citaat: “Hiëronymus’ vertaling, zoals door Augustinus verkeerd geïnterpreteerd, heeft het verstaan van de tijdperken grotendeels uit de Latijnse Kerk weggewist, en dit is ook in de meeste moderne vertalingen doorgewerkt. Toch zijn er ten minste vier vertalingen die de ware betekenis van aion en aionian herstellen.”11 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 3
-
Interpretatie: Jones formuleert hier een hermeneutisch principe: de betrouwbaarheid van de Schrift is gelegen in de brontekst (Hebreeuws/Grieks), niet in de kerkelijke vertalingstraditie. Vertalingen kunnen wezenlijke theologische informatie vertroebelen.
Hermeneutiek: meerdere Schriftgetuigen als bevestigingsmethode
-
Citaat: “Wij hebben dus drie afzonderlijke getuigen — Mozes, Ezechiël en Johannes — die ons vertellen dat de vier levende wezens in het verbond met Noach worden voorgesteld rondom de troon van God.”12 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Citaat: “De kamporde rondom de tabernakel onder Mozes was bedoeld om op aarde die grote hemelse tempel uit te beelden die in Op. 4:7 wordt geopenbaard.”13 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Interpretatie: Jones hanteert hier het hermeneutische principe van convergerende getuigenissen: drie onafhankelijke bijbelschrijvers (Mozes in Numeri, Ezechiël in Ez. 1, Johannes in Op. 4:7) beschrijven hetzelfde beeld, wat als wederzijdse bevestiging van de exegese dient.
De vier viervoudige schepselen als hermeneutische sleutel
-
Citaat (Numeri 2:2, zoals toegepast door Jones): “Aan de oostkant was Juda, de leeuw (Gen. 49:9; Num. 2:3). Aan de westkant was Efraïm, de os (Deut. 33:17; Num. 2:18); aan de zuidkant was Ruben, de mens (Gen. 49:3; Num. 2:10); en aan de noordkant was Dan, de vliegende adelaar die een slang wegdraagt (Gen. 49:17; Num. 2:25).”14 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Citaat (Ezechiël 1:10): “En wat de gestalte van hun aangezichten betreft: ieder had het aangezicht van een mens (Ruben), alle vier hadden zij aan de rechterzijde het aangezicht van een leeuw (Juda aan de oostkant, gezien vanuit het noorden) en aan de linkerzijde het aangezicht van een rund (Efraïm aan de westkant), en alle vier hadden zij het aangezicht van een arend (Dan).”15 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Citaat (Openbaring 4:7): “En het eerste wezen was als een leeuw, en het tweede wezen was als een kalf, en het derde wezen had een aangezicht als een mens, en het vierde wezen was als een vliegende arend.”16 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Interpretatie: Jones toont aan hoe drie verschillende bijbelboeken (Pentateuch, profeten, Apocalyps) dezelfde symbolische structuur delen. Dit is voor hem zowel een bewijs van Schriftuurlijke eenheid als een hermeneutische methode: typologische convergentie over de Testamenten heen.
Typologische interpretatie: Israël als type van de schepping
-
Citaat: “Vanouds werd ook begrepen dat dit de banieren waren (Num. 2:2) van de vier leidende stammen van Israël rondom de tabernakel van Mozes in de woestijn. […] Maar het was alles een openbaring van het goddelijke verbond met heel de schepping zoals gegeven in Genesis 9.”17 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Citaat: “Hoewel de stammen van Israël dit weergeven in hun kamporde, treden zij in wezen op als typen die de gehele aarde vertegenwoordigen. Wat God deed met de enkele natie Israël was een type van een veel groter goddelijk plan.”18 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Interpretatie: Jones past een expliciet typologisch leesprincipe toe: de bijzondere geschiedenis van Israël is een type van Gods universele plan voor de gehele schepping. Dit verbindt zijn typologische hermeneutiek (zie b1) met de behandeling van de relatie OT-NT.
Relatie Oud en Nieuw Testament: progressieve verbondsopenbaring
-
Citaat: “De Bijbel spreekt van vijf specifieke verbonden in progressieve volgorde, die het grote plan vestigen om alle dingen onder de voeten van Christus te brengen.”19 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Citaat: “Alle andere verbonden ná Noach bouwen voort op dit eerste verbond en voegen details toe aan het goddelijke plan. Het verbond met Abraham vestigt het volk DOOR WIE dit goddelijke plan zal worden gevestigd. […] Later vestigt het verbond met Mozes de maatstaf van rechtvaardigheid waartoe allen zullen komen. […] Het verbond met David vestigt de troon. […] Tenslotte werd het Nieuwe Verbond bekrachtigd door het bloed van Christus aan het kruis om alle voorgaande verbonden mogelijk te maken en heel de schepping te verlossen.”20 — Jones, The Restoration of All Things, Hoofdstuk 8
-
Interpretatie: Jones beschrijft een hermeneutisch-theologisch model van progressieve openbaring: de vijf bijbelse verbonden (Noach, Abraham, Mozes, David, Nieuw Verbond) zijn niet onafhankelijk maar bouwen cumulatief voort op elkaar. Het Nieuwe Verbond vervult en voltooit alle voorgaande verbonden.
Originele citaten (Engelse bron)
Footnotes
-
“The Greek noun aion means ‘an eon,’ or ‘an age.’ Its adjective form is aionios, which means ‘age-abiding,’ or ‘pertaining to an age.‘” ↩
-
“Back in the late fourth century, when Jerome translated the Greek New Testament into his Latin Vulgate, he had two Latin words that were a rough equivalent of aionian. They were aeternum and seculum. Aeternum is where we get our word ‘eternal,’ and seculum is where we get our word ‘secular’ (worldly).” ↩
-
“Aeternus had a double meaning: (1) unending time, and (2) an age, or a limited period of time.” ↩
-
“Augustine himself was a contemporary of Jerome in the fifth century, but Augustine did not know Greek. Peter Brown writes in his book, Augustine of Hippo, p. 36, ‘Augustine’s failure to learn Greek was a momentous casualty of the late Roman educational system; he will become the only Latin philosopher in antiquity to be virtually ignorant of Greek.‘” ↩
-
“Thus, when reading the New Testament in Latin, Augustine took the word aeternus to mean unending time, rather than an indefinite period of time. His influence essentially established this definition as the standard meaning of aeternus—and as the centuries passed, this meaning came to be seen as the equivalent of the Greek word aionian.” ↩
-
“Even so, Augustine’s error was apparently pointed out to him later, but it is often difficult to correct one’s teaching once that teaching has been accepted by the public.” ↩
-
“Dr. F.W. Farrar tells us of this in his book, Mercy and Judgment, p. 178, ‘Since aion meant “age,” aionios means, properly, “belonging to an age,” or “age-long,” and anyone who asserts that it must mean “endless” defends a position which even Augustine practically abandoned twelve centuries ago.‘” ↩
-
“as Dr. Bullinger says in Appendix 129 of The Companion Bible, ‘may be limited or extended as the context of each occurrence may demand.‘” ↩
-
“There are at least four modern translations that render the word aionian correctly. Young’s Literal renders it ‘age-during.’ Rotherham’s The Emphasized Bible renders it ‘age-abiding.’ Wilson’s Emphatic Diaglott and The Concordant New Testament leave the original Greek word intact, simply using aionian.” ↩
-
“when you read ‘everlasting’ or ‘eternal’ in the Bible, you cannot take these translations at face value. The Hebrew word olam and its Greek equivalent, aionian, properly mean ‘an age, an indefinite period of time.‘” ↩
-
“Jerome’s translation, as misinterpreted by Augustine, largely eradicated the understanding of the ages from the Latin Church, and this has carried into most modern translations as well. Yet there are at least four translations which restore the true meaning of aion and aionian.” ↩
-
“Thus, we have three distinct witnesses—Moses, Ezekiel, and John—who tell us that the four living creatures in the covenant with Noah are represented around the throne of God.” ↩
-
“The order of encampment around the tabernacle under Moses was meant to portray on earth that great heavenly temple revealed in Rev. 4:7.” ↩
-
“To the east was Judah, the lion (Gen. 49:9; Num. 2:3). To the west was Ephraim, the ox (Deut. 33:17; Num. 2:18); to the south was Reuben, the man (Gen. 49:3; Num. 2:10); and to the north was Dan, the flying eagle carrying away a serpent (Gen. 49:17; Num. 2:25).” ↩
-
“And for the form of their faces, each had the face of a man (Reuben), all four had the face of a lion on the right (Judah on the east as one faces north) and the face of a bull on the left (Ephraim on the west), and all four had the face of an eagle (Dan).” ↩
-
“And the first creature was like a lion, and the second creature like a calf, and the third creature had a face like that of a man, and the fourth creature was like a flying eagle.” ↩
-
“It was anciently understood also that these were the banners (Num. 2:2) of the four leading tribes of Israel surrounding the tabernacle of Moses in the wilderness. […] Yet it was all a revelation of the divine covenant with all of creation given in Genesis 9.” ↩
-
“Although the tribes of Israel depict this in their order of encampment, they are essentially acting as types that represent the whole earth. What God did with the single nation of Israel was a type of a much bigger divine plan.” ↩
-
“The Bible speaks of five specific covenants in progressive order that establish the great plan to bring all things under the feet of Christ.” ↩
-
“All of the other covenants after Noah build upon this first covenant and add details to the divine plan. The covenant with Abraham establishes the people THROUGH WHOM this divine plan will be established. […] Later, the covenant with Moses establishes the standard of righteousness to which all shall attain. […] The covenant with David establishes the throne. […] Finally, the New Covenant was ratified by the blood of Christ on the cross to make all of the previous covenants possible and to redeem all of creation.” ↩