Cees Noordzij — Antropologie

b7 — Het Loofhuttenfeest


Mens als akker van God

Noordzij beschrijft de mens als het terrein waarop God werkt als landman:

“De aarde waarin het zaad gezaaid wordt, zijn zij die in Jezus geloven (Marc.4:1-20). En Paulus zegt: ‘Gods akker zijn jullie’ (1Kor.3:9). We weten, dat ‘de Vader de landman is’ (Joh.15:1). Als wij Zijn akker zijn, dan zal Hij alles doen om ons tot grote vruchtbaarheid te brengen.”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van de volle oogst’)

Interpretatie: De mens is bij Noordzij geen autonome actor maar Gods akker — het terrein van Zijn activiteit. De landman is verantwoordelijk voor de oogst; de mens draagt vrucht door Gods zorg, niet door eigen prestatie.

Zoonschap als eschatologische bestemming

Noordzij verbindt de openbaring van de zonen Gods met de kosmische betekenis van het loofhuttenfeest:

“De heerlijkheid, die de Vader aan Jezus gaf, moet als het ware geërfd worden door de ‘twaalf’, de ‘144.000’, de tot koninklijk priesterschap geroepen ‘zonen Gods’. Dat zal zijn tot heil van de ganse schepping (vgl. Joh.17:22, Rom.8:19, Op.12:1,5).”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van volle heerlijkheid’)

En elders:

“‘Een mannelijke zoon’ zal worden geboren (Op.12:5). Dat zijn ‘koninklijke priesters’ van een andere orde, van de ‘ordening van Melchizedek’ (Hebr.6:20).”

Interpretatie: Zoonschap is bij Noordzij geen statische rechtspositie maar een eschatologische bestemming die de gehele schepping ten goede komt (Rom.8:19-21). De ‘zonen Gods’ worden geopenbaard op het moment van het ware loofhuttenfeest.

Koninklijk priesterschap als wordingsproces

Noordzij maakt een expliciete onderscheiding tussen het behoren tot het koninklijk priesterschap en het daadwerkelijk priester zijn:

“Ieder christen die de stem van de goede herder hoort en Hem volgt, de ‘stal’ uit, zal op den duur een waar koning en priester kunnen worden. Het is namelijk een wordingsproces. Tot het priesterschap horen is iets anders dan priester zijn (vgl.1Pet.2:9). Van koninklijke bloede zijn of koning zijn is niet hetzelfde.”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van volle heerlijkheid’)

En:

“Dan zal blijken wie er zijn ‘gemaakt tot priester om als koning te heersen op aarde’ (Op.5:10). Volwassen, koninklijke priesters!”

Interpretatie: De antropologische bestemming van de gelovige is ‘koninklijk priester’, maar dit is geen positie die automatisch meekomt met geloof. Het is een wordingsproces dat bewuste navolging vereist.

Drievoudige priesterwijding: gewassen, gezalfd, geheiligd

Noordzij beschrijft het geestelijk rijpe koninklijk priesterschap aan de hand van de aaronische wijdingsrituelen:

“Volwassen, koninklijke priesters! Gewassen, in linnen gewaden, gezalfd, geheiligd (Ex.40:12-16). Het zijn de ware knechten van God, die voor Hem staan om Hem te dienen en die zegenen in Zijn naam (Deut.10:8).”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van volle heerlijkheid’)

Interpretatie: De drie momenten van de priesterwijding (wassing, zalving, heiliging) zijn voor Noordzij de antropologische kenmerken van de tot priesterschap geroepen mens. Ze beschrijven niet slechts een ambt maar een toestand van de persoon.

Eschatologische openbaring: wat wij zullen zijn

Noordzij verwijst naar de eschatologische dimensie van menselijke identiteit via 1Joh.3:2:

“We zullen nu ‘bezien’, wat ‘het rijp worden’ en ‘het binnenhalen’ van ‘de volle oogst’ in ‘de zevende maand’ voor ons betekent… Op het loofhuttenfeest wordt geopenbaard ‘wat we zullen zijn’ (1Joh.3:2). Dan zal blijken wie er zijn ‘gemaakt tot priester om als koning te heersen op aarde’ (Op.5:10).”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van volle heerlijkheid’)

Interpretatie: Menselijke identiteit is bij Noordzij eschatologisch open — wat wij zijn wordt pas volledig geopenbaard bij de komst van de Heer. Het loofhuttenfeest is het moment van die openbaring.

Kosmische roeping van de mens

Noordzij verbindt de bestemming van de zonen Gods met herstel van de schepping:

“Dan zullen wij, als Hij verschijnt, met Hem verschijnen in heerlijkheid en een bron van leven zijn tot heil van de ganse schepping (Rom.8:19-21).”

(Cees en Anneke Noordzij, ‘Het Loofhuttenfeest’, sectie ‘Het feest van Zijn verschijning’)

Interpretatie: De antropologische bestemming van de gelovige strekt verder dan persoonlijk heil: de zonen Gods zijn een bron van leven voor de gehele schepping. Dit sluit aan bij het herstelthema dat ook in b6 (Van Pascha tot Loofhutten) terugkeert.