Cees Noordzij — Antropologie

b5 — De hand aan de ploeg slaan


De mens als tweevoudig wezen: vleselijk en geestelijk

Noordzij beschrijft de menselijke tweedeling langs de lijn van het verbond: het nieuwe verbond verlost de mens “van het ware ‘Egypte’ (het ‘vleselijke’) en om het te brengen in een beter ‘beloofde land’, het koninkrijk der hemelen.”

Over de geestelijk gevormde mens schrijft hij: “Dan zijn we in de wereld èn ‘van boven’. Dan zijn we niet alleen meer bezig met aardse schaduwbeelden, maar vooral met de geestelijke realiteiten waar ze op wijzen.”

De eindbestemming van deze transformatie omschrijft hij als: “We worden hoe langer hoe meer één geest met de Heer (1Kor.6:17).”

Interpretatie: Het tweeledige in de mens (vleselijk/geestelijk) is voor Noordzij geen statische antropologische structuur, maar een dynamisch proces van overgang van aards naar geestelijk bestaan.

Keuzevrijheid als centraal menselijk gegeven

Elisa’s radicale besluit

Noordzij beschrijft hoe Elisa bij zijn roeping een bewuste keuze maakte: “Hij nam een radicaal besluit: hij zou nooit meer werken, zoals hij dat zijn leven lang gedaan had. Hij sloeg de hand aan de ploeg, maakte van het hout een vuur en bereidde daarop zijn ossen tot ‘voedsel’.”

Kenmerkend is dat Elia de keuze volledig aan Elisa overliet: “‘Doe wat je wilt’, zei Elia. ‘Ik dwing je nergens toe’” (1Kon.19:20).

Over de gerichtheid van de keuze: “Hij zag op wat voor hem lag, niet op wat hij achterliet.”

Maria’s keuze aan Jezus’ voeten

Noordzij ziet in het verhaal van Maria en Martha een illustratie van menselijke keuzevrijheid: “Maria was gaan zitten aan Zijn voeten, luisterde naar Zijn woorden en ontving zo brood des levens. Jezus noemde dat ‘het beste deel, dat haar nooit meer zou worden ontnomen’ (Luc.10:38-42).”

Over Martha’s perspectief: “Martha werd er wanhopig van… Ze werd helemaal ‘in beslag genomen door het vele bedienen’ (Luc.10:40a).”

Over de keuze van Maria: “En denk maar niet, dat Maria haar verantwoordelijkheden niet kende. Ze heeft ongetwijfeld vooraf ‘in het huis’ gewerkt… Maar toen ging Jezus spreken met ‘woorden van geest en leven’… Toen moest ze kiezen: of doorgaan om de gasten te bedienen, of bij Hem te gaan zitten. Ze koos voor het beste (Luc.10:41-42).”

Keuzevrijheid als onderscheidend kenmerk

Noordzij concludeert: “Wie zich geroepen weet de Heer te dienen, moet keuzes maken die lang niet iedereen begrijpt. Het niet meer ‘ploegen’ en met ‘Elia’ meegaan wordt vaak gezien als verraad.”

Interpretatie: Keuzevrijheid is voor Noordzij niet vrijblijvend maar existentieel bepalend — de keuze voor het geestelijke boven het vleselijke definieert de aard van menselijk discipelschap.

Geestelijk mens leert stil te zijn en te wachten op God

Noordzij stelt expliciet: “een geestelijk mens kan leren om stil te zijn. Hij leert te wachten, totdat God Zijn wil bekend maakt. Hij verlangt maar één ding en dat vraagt hij: ‘Heer, mag ik in Uw huis Uw wil verstaan?’ (Ps.27:4).”

Jezus dient hierbij als antropologisch model: “De Heer Jezus kon wachten. Op Zijn twaalfde was Hij al volkomen bezield van de dingen van de Vader (Luc.2:49). Toch bleef Hij stil, tot Zijn dertigste.”

Over de noodzaak van rust: “Eigenlijk is het tot rust komen een voorwaarde om effectief een zegen voor anderen te kunnen zijn. Daarom zoekt God ‘waarachtige aanbidders, die Hem aanbidden in geest en in waarheid’ (Joh.4:23).”

Over het bidden vanuit stilte: “Wat Hij sprak, had Hij eerst van de Vader gehoord (Joh.8:38). Wat Hij deed, had Hij eerst de Vader zien doen (Joh.5:19).”

Interpretatie: Het vermogen tot stilte en wachten is voor Noordzij een te leren eigenschap van de geestelijke mens — niet aangeboren maar aangevormd.

Roeping tot koninklijk priesterschap: heiliging en zalving

Noordzij beschrijft de bestemming van de geroepenene: “ieder, die zich geroepen weet tot koninklijk priesterschap de hand aan de ploeg slaan en de Vader vragen hem te wijden, te heiligen en te zalven met Zijn Geest.”

De priesterlijke dienst begint bij de Heer zelf: “Dan zal hij, als hij zich in ‘linnen’ (=rust) kleedt, voor Hem mogen staan om Hem te dienen (Deut.10:8).”

Als resultaat van het geestelijk leven beschrijft hij: “Zo worden wij een levend offer, een waar priester, een geestelijke tempel en nog veel meer (1Kor.3:16, Rom.12:1).”

Over de bredere bestemming: “Wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het ‘eeuwige’ leven erven” (Matt.19:29).

Interpretatie: Koninklijk priesterschap is voor Noordzij de antropologische bestemming van de geroepenene — een mens die, door heiliging en zalving, Gods huis binnengaat om Hem te dienen vóórdat hij anderen dient.