Cees Noordzij — Antropologie

b4 — Het erfdeel van Jabez


Zoonschap als menselijke telos

Noordzij stelt dat het gebed van Jabez om gebiedsuitbreiding verwijst naar geestelijke groei richting zoonschap Gods: “Zo te bidden maakt je geestelijk volwassen en leidt tot zoonschap Gods (Rom.8:14-19).”

Het erfdeel van de mens wordt omschreven als “de verlossing van al het lichamelijk-zielse (Rom.8:23). Het is door de Geest van God geleid te worden (Rom.8:14).”

Interpretatie: Zoonschap Gods is voor Noordzij geen positie maar een telos — een doel dat langs de weg van geestelijke groei bereikt wordt.

Lijden als geboorteproces van de nieuwe mens

Noordzij verbindt de naam “Jabez” (= smart) met het proces van het geboren worden tot zoonschap: “Omdat ieder die tot zoonschap Gods wordt geroepen, voor het ‘vlees’ met meer dan normale smart wordt voortgebracht.”

Over Jezus schrijft hij: “Dat maakte Hem door lijden heen volmaakt, geheel van boven (Heb.2:10, Joh.8:23).” En: “Allen die volgens Gods raadsbesluit bestemd zijn tot zoonschap, worden ‘door lijden heen volmaakt’ (Heb.2:10).”

De tucht heeft een doel: “Al die tucht schijnt smart te brengen, maar later brengt ze vredevruchten voort (Heb.12:11). Ze worden ‘zonen des vredes’ (Luc.10:6).”

Hierbij citeert hij Heb.12:6: “‘Hij kastijdt iedere zoon die Hij aanneemt’.”

Baring van de nieuwe mens (Op.12)

Noordzij beschrijft de gemeente als barende vrouw in Op.12: “In het boek Openbaring lezen we ook van een zwangere vrouw (=de Gemeente). ‘Ze schreeuwt in haar weeën en in haar pijn om te baren. En ze baart een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf. Die zonen worden plotseling weggevoerd naar God en Zijn troon’ (Op.12:2-5).”

Over de eschatologische betekenis: “met smart zal de hemelse Gemeente bij de voleinding van deze ‘eeuw’ zonen baren, die ‘de schepping zullen bevrijden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen’ (Op.12:5, Rom.8:21).”

Interpretatie: De ‘baring’ in Op.12 is voor Noordzij geen historisch maar een actueel-eschatologisch proces: de collectieve openbaring van zonen Gods in de gemeente.

Vlees en geest als twee dimensies van de mens

Noordzij beschrijft twee manieren van leven: “Door de Geest de werkingen van het vlees te doden. Al wandelend door de Geest steeds ‘rijker’ en ‘rijper’ te worden (Rom.8:13-14, Gal.6:16).”

En: “wie op zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten (Gal.6:8).”

De roeping is om “boven de sfeer van het zichtbare uit te stijgen om te komen tot de hogere kennis van het hemelse (Joh.3:12).”

Roeping en vrije wil: niet allen gaan

Noordzij onderkent dat de roeping tot zoonschap niet door allen wordt beantwoord: “Helaas zijn het ook nu alleen de ‘Juda’s’ en de ‘Simeons’, die ernst maken met het in bezit nemen van hun erfdeel.”

Over de onderscheidende keuze: “Maar een ‘Jabez’ wil méér dan alleen ‘binnengaan’! Hij gaat het ‘beloofde land’ in om er te overwinnen en er toe te nemen tot het volkomen kennen van de Heer (vgl.Ef.4:13).”

Interpretatie: Er is een spanningsveld tussen universele roeping en particulier antwoord — niet alle gelovigen streven naar de volheid van zoonschap.

Typologische figuren als modellen van de menselijke weg

Noordzij presenteert Jabez, Job, Jakob, Jozef en David als typen van de menselijke weg naar zoonschap.

Job: “We zien, dat Job door lijden heen overvloedig wordt gezegend en dat ‘zijn gebied’ wordt vergroot tot het ‘zien’ en kennen van de Heer (Job 19:25-26, 42:3,5). Hij kwam tot geestelijke rijpheid, tot zoonschap (Job 42:7-15, vgl.Rom.8:17-23).”

David: “David verlangde naar reinheid van hart (Ps.51:12). Hij verlangde ernaar om ‘in Gods huis’ te mogen zijn, alle dagen van zijn leven (Ps.27:4). Daarom werd hij tot koning gezalfd.”

Samuël als groeimodel: “Samuël nu diende voor het aangezicht van de Heer, een jongen in een linnen lijfrok. Zijn moeder was gewoon een manteltje voor hem te maken en ze bracht hem dat van jaar tot jaar (1Sam.2:18-19). Zo hoort geestelijke groei te zijn. Niemand doet zijn leven lang met een stel kinderkleren!”

Interpretatie: De typologische figuren dienen niet primair als heilsgeschiedenismodellen maar als antropologische wegwijzers: elk mens die geroepen is tot zoonschap, doorloopt een vergelijkbaar traject.