Cees Noordzij — Antropologie
b1 — Mozes en de weg tot zoonschap, Cees en Anneke Noordzij (Verborgen Manna) Bron: Cees en Anneke Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap (bijbelinfo.nl, overgenomen van Verborgen Manna)
Dichotomie: ziel en geest als vrouwelijk en mannelijk
Noordzij introduceert een bijzondere terminologische keuze: de tweedeling innerlijk mens wordt gecodeerd als ‘mannelijk’ (= geestelijk) en ‘vrouwelijk’ (= ziels). Biologisch geslacht is daarbij uitdrukkelijk niet bepalend:
“Het gaat er in de bijbel niet om, of iemand van het mannelijke of het vrouwelijke geslacht is, maar of iemand in Gods ogen mannelijk is (=geestelijk) of vrouwelijk (=ziels).”
Vervolgens wordt de tweedeling analogisch onderbouwd via fysiologie:
“De mens heeft in zich een mannelijke én een vrouwelijke kant. Iedereen heeft mannelijke én vrouwelijke hormonen. In een man overheersen de mannelijke, in een vrouw de vrouwelijke hormonen. Met de innerlijke mens is het net zo: hij is innerlijk mannelijk (=geestelijk) én vrouwelijk (=ziels). In de één overheerst het ‘mannelijke’, in de ander het ‘zielse’.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [De Geboorte van Mozes].
Analytische noot: De auteurs hanteren een functionele dichotomie (ziel vs. geest), waarbij de terminologie ‘mannelijk/vrouwelijk’ als metafoor fungeert. Biologisch geslacht en geestelijke positie worden expliciet ontkoppeld.
Imago Dei: Adam als mannelijk-vrouwelijke eenheid
De schepping van Adam naar Gods beeld wordt uitgelegd als een oorspronkelijke innerlijke harmonie tussen geest en ziel:
“En toen Hij Adam schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, was deze mannelijk-vrouwelijk (Gen.1:27b letterlijk). Ook in Adam was er een harmonische eenheid en een volmaakt evenwicht tussen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’. Hij was ook één.”
Ter onderbouwing: God zelf is de bron van dit evenwicht:
“God is echter één, volmaakt in balans (Jac.2:19).”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [De Geboorte van Mozes], bij bespreking van Gen.1:27b.
Analytische noot: Het imago Dei wordt hier niet primair intellectueel of relationeel geduid, maar als een innerlijke psychologische evenwichtstoestand van geest en ziel, die na de val verstoord is en via zoonschap hersteld moet worden.
Ziel en geest: functie en onderscheid
De ziel wordt gekarakteriseerd als het begerende deel van de mens:
“De ziel wil hebben. Zij begeert. Zij zoekt meer de zegeningen dan de Gever.”
De huidige staat van de gevallen mens wordt omschreven als een overheersing van het zielse:
“De meeste gelovigen kennen deze innerlijke harmonie niet. Zij zijn innerlijk verdeeld. In hen overheerst het zielse, dat bevrediging zoekt voor het vlees (Col.2:23).”
Het herstel bestaat in het tot rust brengen van de ziel:
“Hun eigen ziel ‘is tot rust en stilte gebracht’ (Ps.131:2). Zij zijn zonen, die maagdelijk zijn (Op.14:4). Zij zijn mannelijk-vrouwelijk. Geest en ziel zijn volkomen in balans.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [De Geboorte van Mozes].
Jezus als model van innerlijk evenwicht (Joh.5:19)
De persoon van Jezus Christus fungeert als het anthropologische model van de gewenste innerlijke eenheid:
“Ook Jezus kende dit innerlijke evenwicht. Hij handelde nooit in een zielse opwelling, op menselijk initiatief of uit medelijden. Hij deed ‘niets van Zichzelf, of Hij moest het de Vader zien doen’ (Joh.5:19). Hij liet Zich leiden door Gods Geest. Hij was innerlijk één.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [De Geboorte van Mozes], bij Joh.5:19.
Analytische noot: Jezus’ volledige gerichtheid op de Vader wordt hier niet alleen soteriologisch maar primair anthropologisch gelezen: als bewijs dat de geest (het ‘mannelijke’) volledig kan overheersen over de ziel (het ‘vrouwelijke’).
Zelfontlediging als anthropologische weg: kenosis (Fil.2:7-8)
De weg tot herstel van de mens wordt beschreven als een bewust proces van zelfontlediging, waarbij Jezus als prototype dient en Mozes als oudtestamentisch type:
“Paulus zegt van Jezus, dat ook Hij ‘Zichzelf heeft ontledigd en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd’ (Fil.2:7-8). Hij roept Jezus’ volgelingen op, die gezindheid te hebben (Fil.2:5).”
Mozes’ veertigjarige verblijf in Midian wordt als parallel getekend:
“God vond het nodig Mozes eerst te ontdoen van elke vorm van aanzien en eigen kunnen. Hij moest de weg van zelfontlediging gaan.”
En het resultaat in Mozes’ karakter: “Later lezen we van hem, dat hij ‘een zeer zachtmoedig man was, meer dan enig ander mens op de aardbodem’ (Num.12:3).”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [Zijn Vernedering], bij Fil.2:7-8 en Num.12:3.
Herstel van de mens: gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon (Rom.8:29)
Het anthropologische einddoel wordt expliciet als herstel naar het oorspronkelijke imago Dei geformuleerd, maar nu gelijkvormig aan Christus:
“God wil geen uniformiteit van mensen, maar gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon.”
Met Schriftonderbouwing:
“die God ‘tevoren heeft bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon’ (Rom.8:29b). Hij was ‘het begin, de eerstgeborene uit de doden’”
En het bredere kader:
“God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die Hem liefhebben en die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon” (Rom.8:28-30).
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [Een Bijzondere Roeping], bij Rom.8:29.
De zonen Gods: geleid door de Geest (Rom.8:14)
Het concept ‘zoonschap’ heeft een duidelijke anthropologische inhoud: de geleidelijke transformatie van innerlijk verdeelde mensen naar personen die volledig door de Geest geleid worden:
“Paulus schrijft daarover: ‘Allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods’ (Rom.8:14).”
En ter beschrijving van hun staat:
“De 144.000 eerstelingen, die met het Lam op de berg Sion staan, hebben het Lam gevolgd waar Hij ook heenging (Op.14:4). Ze konden Hem volgen op de troon, omdat zij Hem ook hebben gevolgd in Zijn lijden en vernedering.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, secties [Inleiding] en [Een Bijzondere Roeping], bij Rom.8:14 en Op.14:4.
Onsterfelijkheid en de dood (1Cor.15:54)
De overwinning op de dood is voor Noordzij het eschatologisch-anthropologische sluitstuk van het zoonschap:
“De dood is de laatste vijand, die wordt ‘verzwolgen in de overwinning’ (1Cor.15:54). […] ‘Zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning’ (1Cor.15:54).”
Als voorbeelden worden Henoch en Elia aangehaald:
“Wat er met Henoch en Elia gebeurde, was er een heenwijzing van.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, sectie [Mozes’ Dood], bij 1Cor.15:54.
De val: “stervende zult gij sterven” (Gen.2:17b)
De conditie van de gevallen mens wordt impliciet aangeduid via de uitspraak uit Gen.2:17b:
“De verandering van ‘stervende zult gij sterven’ (Gen.2:17b) tot zoonschap Gods is een dodelijk proces voor het oude ik.”
Bronverwijzing: Noordzij, Mozes en de weg tot zoonschap, slot-sectie.
Analytische noot: De val wordt hier niet uitvoerig behandeld als doctrine, maar als de antropologische uitgangssituatie: de mens is ‘stervende’, en het herstelpad loopt via zoonschap.