George H. Warnock — Antropologie

b3 — Feed My Sheep


Zoonschap als Gods enig doel voor de mens

Warnock stelt in Chapter 4 dat Gods diepste voornemen met de mens niet ambt of bediening is, maar zoonschap — het dragen van goddelijk karakter:

“Heel Gods doel met de mens is ZOONSCHAP, geen bediening… GODDELIJK KARAKTER, geen Goddelijk Bestuur. De Heer Jezus is daarom gekomen om ons de Weg te tonen, en om de Weg te worden.”1 — Feed My Sheep, hfst. 4

“Want de schepping verwacht met reikhalzend verlangen de openbaring van de KINDEREN GODS (Romeinen 8:19). Deze ZONEN mogen op dit moment vaders zijn, en moeders, en zonen, en dochters… of zij mogen apostelen zijn, of profeten, of oudsten, of diakenen… Maar het is in hun ultieme training en disciplinering als ZONEN dat zij de BEVRIJDERS zullen worden die God in gedachten heeft.”2 — hfst. 4; vgl. Rom. 8:19

Interpretatie: Warnock onderscheidt consequent tussen ambt (ministry/government) en wezen (character/sonship). Scheppings- en verlossingsgeschiedenis zijn beide ondergeschikt aan dit ene doel: zonen die de bevrijding van de schepping bewerkstelligen (vgl. Rom. 8:19-22).


Zoonschap impliceert absolute afhankelijkheid

Warnock verbindt zoonschap aan het principe “de Zoon kan uit Zichzelf niets doen” (Joh. 5:19, 30):

“DE ZOON KAN UIT ZICHZELF NIETS DOEN, dan hetgeen Hij den Vader ziet doen: want zo wat Deze doet, dat doet ook de Zoon desgelijks… de Zoon is hulpeloos in Zichzelf; want zoon-zijn impliceert absolute en totale afhankelijkheid van de Vader voor alles.”3 — Feed My Sheep, hfst. 4; vgl. Joh. 5:19

“‘Ik kan van Mijzelven NIETS doen’ (Joh. 5:30)… maar het was veeleer vanwege de verbondsrelatie die Hij met de Vader had. ‘Ik kan niets uit Mijzelf doen, omdat Ik voorgenomen heb alles te doen en alles te zeggen… IN EENHEID MET MIJN VADER.‘”4 — hfst. 3; vgl. Joh. 5:30

Interpretatie: De onmacht van de mens is bij Warnock geen antropologisch defect maar de structurele voorwaarde voor zoonschap. Ware menselijkheid bestaat in de relatie van totale afhankelijkheid van God, naar het patroon van Christus’ relatie tot de Vader.


Schapen-karakter als fundamentele menselijke identiteit

Een van de meest uitgewerkte antropologische categorieën in dit werk is het schapen-karakter (sheep character) als wezenskenmerk dat álle andere rollen voorafgaat en bepaalt:

“Er is geen verschil tussen een schaap en een herder, voor zover hun karakter betreft. Want Gods ware herders zijn schapen voordat zij herders worden; en zij blijven schapen NADAT zij herders zijn geworden. Zodra wij dit principe erkennen, worden de barrières die zijn opgeworpen om de schapen van de herders te scheiden afgebroken.”5 — Feed My Sheep, Preface

“De ware herders over Gods erfdeel zijn schapen voordat zij herders worden, en nadat zij herders zijn geworden zijn zij nog steeds schapen… Maar laat ons herinneren dat onze Heer niet ten troon zit in de hemelen… omdat Hij Goddelijk was in Zijn geboorte, en Messiaans in Zijn ambt… maar omdat Hij een LAM WAS IN KARAKTER.”6 — hfst. 7

“De overwinnaars die wij in het Boek Openbaring zien voortkomen, zijn zij die ‘het Lam volgen’… niet zij die de Leeuw volgen. Een bloedend Lam werd de overwinnende, triomferende Leeuw uit de stam van Juda. Maar zelfs toen Hij dat karakter aannam, was Hij nog steeds het Lam dat geslacht is.”7 — hfst. 7; vgl. Openb. 5:5-6

Interpretatie: Warnock beschrijft het lam-karakter als de diepste dimensie van ware menselijkheid. Het is niet een tijdelijke fase vóór het bereiken van autoriteit, maar de blijvende identiteitsgrond — zelfs voor Christus als enthroned Heer.


Imago Dei: geweten als goddelijke impartatie

Warnock verbindt het geweten van de mens rechtstreeks aan de schepping naar Gods beeld:

“Het geweten van een mens is zijn eigen persoonlijke erfdeel uit de handen van de Schepper… het was een impartatie van Hemzelf die gemeenschap en omgang met Hem mogelijk zou maken; en het was voor ware gemeenschap en omgang dat Hij u geschapen heeft.”8 — Feed My Sheep, hfst. 5

Interpretatie: Het geweten is bij Warnock geen moreel mechanisme maar een scheppingsmatige impartatie van God Zelf — het punt van contact waarlangs gemeenschap met de Schepper mogelijk is.


Imago Dei: de geest van de mens als lamp des HEREN

Warnock citeert Spr. 20:27 in het kader van het herstel van de mens naar Gods beeld:

“‘De geest van de mens is een lamp des HEEREN’… Hij mag vele malen flikkeren… hij mag zelfs uitgaan. Maar God heeft de kaars daar geplaatst, en wanneer het licht van Zijn Waarheid op hem schijnt en de vlam wordt opnieuw aangestoken, op dat moment wordt de mens van aangezicht tot aangezicht gebracht met een nieuw bewustzijn van God.”9 — Feed My Sheep, hfst. 5; vgl. Spr. 20:27

“Nu, wanneer God ons terugleidt tot het beeld van God, zal dat beeld van een veel hogere orde zijn dan wat Adam kende voordat hij viel… De kennis van het kwaad wordt een inherent deel van zijn geweten; en in het midden van al het kwaad en de duisternis die ons omringen, zal God een volk hebben dat tot volle volwassenheid in Christus is gekomen, wier zinnen ‘geoefend zijn om zowel goed als kwaad te onderscheiden.‘”10 — hfst. 5

Interpretatie: De herstelbeweging van het imago Dei gaat bij Warnock verder dan de oorspronkelijke staat van Adam: het voltooide beeld kent zowel goed als kwaad en is juist daarin gehard tot de volle gestalte van Christus (vgl. Hebr. 5:14).


Kenosis als patroon voor mensen

Warnock beschrijft Christus’ zelfontlediging (Fil. 2:7) niet alleen als soteriologisch feit maar als leefpatroon voor de mens:

“‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God’… Het was omdat Hij ‘Zichzelven vernietigd heeft’ (letterlijk, ‘Zichzelf ontledigde’). …Het was omdat Hij, komende als mens, de gestalte van een dienstknecht aannam (een ‘doulos’… een ‘slaaf’). …Het was omdat Hij, als slaaf, gehoorzaamheid leerde.”11 — Feed My Sheep, hfst. 7; vgl. Fil. 2:7-8; Hebr. 5:8

“Gods priesters ‘zwoegen’ niet… zij moeten God alleen dienen in eenheid met Hem, bekleed met het fijne linnen van Zijn eigen gerechtigheid… en uit zichzelf kunnen zij niets doen.”12 — hfst. 1

Interpretatie: De kenosis van Christus is bij Warnock een antropologisch vormingsprincipe: de mens bereikt zijn bestemming niet door activiteit maar door zelfontlediging — het afleggen van reputatie, het aannemen van dienstknecht-gestalte, het leren van gehoorzaamheid.


Besnijdenis des harten: afsnijding van het oude leven

Warnock verbindt de besnijdenis des harten (Kol. 2:11-12) aan het patroon van Jozua’s generatie bij de intocht in Kanaän:

“De oude generatie was besneden, maar de nieuwe generatie die in de woestijn geboren was, was niet besneden. Besnijdenis betekende een afsnijding van het vlees… en de nieuwe generatie moest het land binnengaan, volledig afgesneden van het oude leven van Egypte.”13 — Feed My Sheep, hfst. 6

“‘In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft’ (Kolossenzen 2:11, 12). Maar zoals de WERKELIJKE besnijdenis een innerlijk werk was, in plaats van een uiterlijke ordinantie… zo gaat ook de WERKELIJKE doop ver voorbij de ordinantie zelf.”14 — hfst. 6; vgl. Kol. 2:11-12

Interpretatie: De besnijdenis des harten is bij Warnock de inwendige antropologische tegenhanger van de uiterlijke ritus. Zij impliceert een radicale kwetsbaarheid en overgave — gesymboliseerd door het beeld van een heel leger dat tijdelijk volledig weerloos is na de besnijdenis — maar juist in die menselijke onmacht openbaart Gods kracht.


Herstel van de ziel en lichamelijke opstanding

Warnock verbindt het antropologische onderscheid tussen de eerste en tweede Adam aan de hoop op lichamelijk herstel:

“Het is een plaats waar wij voortdurend BLIJVEN in het rijk van de Geest… stromende beken, waterstromen… vruchtbare wijnstokken en vijgenbomen… Want de eerste Adam kwam uit de aarde… stof der aarde… en God blies leven in hem, ziel-leven… Maar de laatste Adam kwam uit de Hemel… werd een ‘Levendmakende’ GEEST.”15 — Feed My Sheep, hfst. 6; vgl. 1Kor. 15:45-47

“Opstandingsleven! Niet slechts een toekomstige historische gebeurtenis, maar de levende Christus die wandelt en leeft in de harten van mensen! De vroege Kerk had een grote mate van dit leven, terwijl God machtig bewoog in heerlijkheid en kracht… Jezus zei: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven… En God zou willen dat wij wandelen in de heerlijkheid en kracht van dit leven.”16 — hfst. 4

Interpretatie: Het contrast eerste Adam/tweede Adam heeft bij Warnock een directe antropologische implicatie: de ziel-natuur van de eerste Adam wordt niet verbeterd maar vervangen door de Geest-natuur van de Laatste Adam. Opstanding is niet toekomstig maar een huidige wandel in Christus.


Man en vrouw: ordening en karakter

Warnock behandelt in Chapter 5 de verhouding man-vrouw als weerspiegeling van de verhouding Christus-kerk, waarbij hij zowel de ordening als het vereiste karakter bespreekt:

“‘Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen IN ALLES’ (Efeze 5:24). De deugdzame vrouw onderwerpt zich hieraan, en zij ondervindt het als haar vreugde en vrijheid wanneer zij dit doet… zij zal ook de kracht van haar Heer kennen om haar man te weerstaan indien hij haar beveelt te liegen en te bedriegen en te stelen en overspel te plegen.”17 — Feed My Sheep, hfst. 5; vgl. Ef. 5:24

“De man, daarentegen, op grond van zijn roeping, is heerser en hoofd van de vrouw, en van het huis. Maar de heerszuchtige man is verre, verre van het Koninkrijk Gods; en tenzij hij zich onderwerpt aan de wil van Christus, en nederigheid, zachtmoedigheid en deemoed leert, zal hij nooit met Christus heersen en regeren in Zijn Koninkrijk.”18 — hfst. 5

Interpretatie: De ordening van man en vrouw is bij Warnock verbonden aan karaktersvorming: de vrouw die zich overgeeft oefent dezelfde deugden van genade en zachtheid die in de rest van het werk centraal staan; de man die heerst zonder het karakter van Christus’ dienstknechtsgestalte diskwalificeert zichzelf. [SPANNING met eerdere bron b2, die nadruk legt op de gebrokenheid van de menselijke wil als zodanig — hier lijkt de wil van de vrouw ook moreel functioneel te zijn.]


Morele verantwoordelijkheid: persoonlijk onderscheidingsvermogen

Warnock benadrukt in Chapter 5 de individuele verantwoordelijkheid om Gods wil te kennen en te onderscheiden:

“Het is volstrekt noodzakelijk voor iedere man of vrouw die oprecht verlangt voort te gaan met de HEERE, om in gehoorzaamheid voor Hem te wandelen, en in het licht van Zijn Woord, in persoonlijke eenheid met Christus… de ware herder zal trachten de Urim en Thummim in uw eigen geest te verlichten, opdat u voor uzelf moge zeggen: ‘Dit is de Weg, ik moet daarin wandelen.‘”19 — Feed My Sheep, hfst. 5

“Vrijheid hebben wij nodig, en waakzaamheid, en correctie, en onderwijs, en kastijding. Maar wij durven de loop van het LEVEN dat God ontworpen heeft voor elk individueel lid van het Lichaam van Christus, niet te veranderen… Iedere persoon moet door het Woord van de Heer worden aangemoedigd om de Heer ernstig te zoeken, totdat hij zijn plaats in het Lichaam vindt als ‘lid in het bijzonder.‘”20 — hfst. 5

Interpretatie: Ondanks de sterk theocentrische antropologie (menselijke onmacht, afhankelijkheid) erkent Warnock ook een persoonlijk onderscheidingsvermogen dat iedere gelovige verantwoordelijk maakt voor het kennen en bewandelen van zijn individuele roeping. Dit staat in spanning met de radicale onvrijheid beschreven in b2, maar is niet per se tegenstrijdig: de Geest verlicht de mens zodat deze zelf kan onderscheiden.


Originele citaten

Footnotes

  1. “God’s whole purpose in man is SONSHIP not ministry… DIVINE CHARACTER not Divine Government. The Lord Jesus, therefore, came to show us the Way, and to become the Way.”

  2. “For the earnest expectation of the creation waiteth for the manifestation of the SONS OF GOD (Romans 8:19). These SONS may at this present time be fathers, and mothers, and sons, and daughters… or they may be apostles, or prophets, or elders, or deacons… But it is in their ultimate training and disciplining as SONS that they shall become the LIBERATORS that God has in mind.”

  3. “THE SON CAN DO NOTHING OF HIMSELF, but what He seeth the Father do: for what things so ever He doeth, these also doeth the Son likewise… the Son is helpless in Himself; for being a Son implies absolute and total dependence upon the Father for everything.”

  4. “‘I can of mine own self do NOTHING’ (John 5:30)… but it was rather because of the covenant relationship which He had with the Father. ‘I can do nothing of Myself, because I have purposed to do everything and to say everything… IN UNION WITH MY FATHER.‘”

  5. “There is no difference between a sheep and a shepherd, as far as their character is concerned. For God’s true shepherds are sheep before they become shepherds; and they continue to be sheep AFTER they have become shepherds. Once we recognize this principle, the barriers that have been erected to segregate the sheep from the shepherds are torn down.”

  6. “The true shepherds over God’s heritage are sheep before they become shepherds, and after they become shepherds they are still sheep… But let us remember that our Lord does not sit enthroned in the heavens… because He was Divine in His birth, and Messianic in His office… but because He was a LAMB IN CHARACTER.”

  7. “The overcomers that we find coming forth in the Book of Revelation are those who ‘follow the Lamb’… not those who follow the Lion. A bleeding Lamb became the conquering, triumphant Lion of the tribe of Judah. But even as He assumed that character, He was still the Lamb that was slain.”

  8. “A man’s conscience is his own private inheritance from the hands of the Creator… it was an impartation of Himself that would make fellowship and communion with Him possible; and it was for true fellowship and communion that He created you.”

  9. “The Spirit of man is the candle of the LORD’… It may flicker many times… it may even go out. But God put the candle there, and as the light of His Truth shines upon him and the flame is rekindled, at that very moment the man is brought face to face with a new awareness of God.”

  10. “Now as God leads us back to the image of God, that image will be of a much higher order than what Adam knew before he fell… The knowledge of evil becomes an inherent part of his conscience; and in the midst of all the evil and darkness that surrounds us God will have a people who have come to full maturity in Christ, whose senses are ‘exercised to discern both good and evil.‘”

  11. “‘Lo I come to do Thy will, O God’… It was because He ‘made himself of no reputation’ (literally, ‘emptied Himself’). …It was because, coming as a man, He took the form of a servant (a ‘doulos’… a ‘bond-slave’). …It was because, as a bond-slave, He learned obedience.”

  12. “God’s priests do not ‘sweat it out’… they must serve God only in union with Him, clothed upon with the fine linen of His own righteousness… and of their own selves they can do nothing.”

  13. “The old generation had been circumcised, but the new generation that was born in the wilderness had not been circumcised. Circumcision signified a cutting away of the flesh… and the new generation must enter the land completely cut away from the old life of Egypt.”

  14. “‘In whom also ye are circumcised with the circumcision made without hands, in putting off the body of the sins of the flesh, wherein also ye are risen with him through the faith of the operation of God, who hath raised him from the dead’ (Colossians 2:11, 12). But just as the REAL circumcision was an inward work, rather than an outward ordinance… so the REAL baptism goes far beyond the ordinance itself.”

  15. “It is a place where we constantly ABIDE in the realm of the Spirit… flowing streams, brooks of water… fruitful vines and fig trees… For the first Adam came from the earth… dust of the ground… and God breathed into him a life, soul-life… But the last Adam came from Heaven… became a ‘Life-Giving’ SPIRIT.”

  16. “Resurrection Life! Not just a future historical event, but the living Christ walking and living in the hearts of men! The early Church had a great measure of this life, as God moved mightily in glory and power… Jesus said, ‘I am the Resurrection and the Life… And God would have us to walk in the glory and power of this life.”

  17. “‘Therefore as the church is subject unto Christ, so let the wives be to their own husbands IN EVERYTHING’ (Ephesians 5:24). The virtuous woman submits to this, and she finds it to be her joy and freedom as she does so… she shall also know the strength of her Lord to resist her husband if he commands her to lie and cheat and steal and commit adultery.”

  18. “The husband, on the other hand, by virtue of his calling, is ruler and head of the wife, and of the home. But the domineering man is far, far from the Kingdom of God; and unless he submits to the will of Christ, and learns humility, meekness, lowliness of mind, he will never rule and reign with Christ in His Kingdom.”

  19. “It is absolutely necessary for any man or woman who sincerely desires to go on with the LORD, to walk in obedience before Him, and in the light of His Word, in personal union with Christ… the true shepherd will seek to illumine the Urim and Thummim in your own spirit that you might be able to say for yourself: ‘This is the Way, I must walk in it.‘”

  20. “Freedom we need, and watchcare, and correction, and instruction, and chastisement. But we dare not alter the course of LIFE that God designed for each individual member of the Body of Christ… Every individual must be encouraged by the Word of the Lord to earnestly seek the Lord, until he finds his place in the Body as a ‘member in particular.‘”