E.W. Bullinger — Antropologie
b1 — Number in Scripture
Menselijke fysiologie en het getal zeven
Bullinger behandelt de menselijke fysiologie uitvoerig als bewijs voor het principe van het getal zeven in Gods schepping. Hij beschrijft de zevenledige verdeling van het menselijk leven:
“De zeventig levensjaren van de mens zijn 7×10. In zeven jaar verandert de gehele structuur van zijn lichaam; en we zijn allen vertrouwd met ‘de zeven levensfasen van de mens.’ Er zijn zeven Griekse woorden die deze zeven fasen beschrijven, volgens Philo: 1. Paidion (kind), 2. Pais (jongen), 3. Meirakion (knaap), 4. Neaniskos (jongeman), 5. Aner (man), 6. Presbutes (oude man), 7. Geron (grijsaard). De verschillende perioden van zwangerschap zijn ook over het algemeen een veelvoud van zeven, hetzij van dagen of weken. Bij de menselijke soort is dit 280 dagen (of 40×7).”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. 1, sectie: FYSIOLOGIE)
Interpretatie: Bullinger ziet de zevenledige structuur van het menselijk leven niet als toeval maar als goddelijk stempel — de mens is ontworpen naar het getal zeven.
Hartslag en het zevendaagse principe
“Bovendien lijkt de mens gemaakt te zijn naar wat wij het zevendaagse principe mogen noemen. Bij verschillende ziekten zijn de zevende, veertiende en eenentwintigste dag kritieke dagen; en bij andere zeven of veertien halve dagen. De pols van de mens klopt op het zevendaagse principe, want dr. Stratton wijst erop dat hij zes dagen van de zeven ‘s morgens sneller klopt dan ‘s avonds, terwijl hij op de zevende dag langzamer klopt. Zo is het getal zeven ingestempeld op de fysiologie, en daardoor wordt de mens eraan herinnerd, als mens, één dag in de zeven te rusten. Hij kan deze wet niet ongestraft overtreden, want zij is verweven met zijn eigen wezen.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. 1, sectie: FYSIOLOGIE)
Interpretatie: De sabbatswet is bij Bullinger niet alleen een extern gebod maar een fysiologische werkelijkheid die in het lichaam van de mens is ingebouwd — het zevendaags ritmisch patroon van de hartslag is het lichamelijke argument voor de noodzaak van rust.
Menselijke autonomie vs. Gods autoriteit
Bullinger contrasteert de menselijke pretentie van zelfbeschikking met de fysiologische wetgeving die God in het lichaam heeft ingebouwd:
“Hij kan zeggen: ‘Ik zal rusten wanneer ik wil’ — één dag in de tien, of onregelmatig, of helemaal niet. Hij kan even goed zeggen van zijn achttages klok: ‘Het is van mij, en ik zal hem opwinden wanneer ik wil.’ Tenzij hij hem ten minste eens in de acht dagen opwond, overeenkomstig het principe waarop hij gemaakt is, zou hij als klok waardeloos zijn. Zo ook met het lichaam van de mens.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. 1, sectie: FYSIOLOGIE)
In Deel II, het hoofdstuk over het getal ÉÉN, formuleert Bullinger de tegenstelling tussen menselijke onafhankelijkheid en Gods autoriteit in directe theologisch-antropologische termen:
“De wegen en gedachten van de mens zijn het tegenovergestelde van die van God. God zegt: ‘Zoek eerst.’ De mens zegt: ‘Zorg voor nummer één.’ In zijn eigen ogen is hij dit ‘nummer één’, en zijn grote doel is onafhankelijk van God te zijn. Onafhankelijkheid, in God, is Zijn heerlijkheid. Onafhankelijkheid in de mens, is zijn zonde, en opstand, en schande.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel II, hfst. ÉÉN)
Interpretatie: Dit is Bullingers scherpste antropologische stelling. De aseïteit behoort alleen aan God; wanneer de mens deze eigenschap voor zichzelf opeist, is dit constitutief voor de zonde en het verval.
De “oude natuur” en het vlees
In het hoofdstuk over het getal ÉÉN beschrijft Bullinger het moderne sociaal-evangelie als een poging de menselijke natuur te verbeteren zonder God:
“Het begint met de mens; zijn doel is de oude natuur apart van God te verbeteren en het vlees te hervormen; en de maatstaf van zijn succes is de mate waarin de mens ‘goed’ kan worden zonder ‘God.‘”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel II, hfst. ÉÉN)
Interpretatie: Bullinger gebruikt expliciet de term “oude natuur” (old nature) en “vlees” (flesh) als antropologische categorieën — het zijn aanwijzingen van zijn reformatorisch-dispensationalistische mensvisie, al werkt hij dit in dit werk niet systematisch uit.
Menselijke onvolmaaktheid
“De mens, en al zijn gedachten zijn onvolmaakt; zo onvolmaakt dat hij er zelfs niet in geslaagd is behoorlijk zorg te dragen voor Gods volmaakte Woord.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. II)
“Maar dit is wat de mens heeft gedaan en doet — hij schrijft aan God toe wat het gevolg is van zijn eigen zonde, nalatigheid en dwaasheid!”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. II)
Menselijke waardigheid door schepping
“Het wonderbaarlijke mechanisme van de menselijke stem, door God geschapen, overtreft elk instrument dat de mens kan maken.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, hfst. 1, sectie: GELUID EN MUZIEK)
Aan het einde van zijn behandeling van Gods werken in de natuur concludeert Bullinger:
“De hand die ons gemaakt heeft, is goddelijk.”
(E.W. Bullinger, Number in Scripture, Deel I, overgang naar hfst. II — citaat uit Addison)
Interpretatie: Menselijke waardigheid is bij Bullinger impliciet maar consequent gefundeerd in het schepperschap van God. De superioriteit van het menselijk gestel (stem, fysiologie, zevenledige levenscyclus) dient als argument voor de goddelijke auteur van het leven.
Scopenoot
De extractie bevat Deel I volledig (hfst. 1: De Werken van God; hfst. 2: Het Woord van God) en uit Deel II alleen de inleiding en het hoofdstuk over ÉÉN. De hoofdstukken over SIX (het getal van de mens), SEVEN, THREE en FOUR — die de primaire loci zouden zijn voor Bullingers leer over de lichaam-ziel-geest constitutie, imago Dei en het getal zes als menselijk getal — ontbraken in de extractie.