Christus als Jubileumsverlosser

Gebaseerd op Het Jubeljaar van de Schepping van Dr. Stephen E. Jones


Inleiding

Wie is Jezus Christus, en wat heeft Hij precies bereikt aan het kruis? Deze vraag staat centraal in het werk van de Amerikaanse bijbelleraar Dr. Stephen E. Jones. In zijn boek Het Jubeljaar van de Schepping (Creation’s Jubilee) beantwoordt Jones deze vraag vanuit een onverwachte invalshoek: de oudtestamentische wet van het Jubeljaar (Lev. 25). Die wet, zo betoogt hij, is niet slechts een sociaal-economisch voorschrift voor het oude Israël — zij is “de meest fundamentele wet van de gehele schepping” en de sleutel tot het begrijpen van de persoon en het werk van Christus.


De Wet van het Jubeljaar als Theologisch Kader

Het Jubeljaar was in Israël het vijftigste jaar, waarin alle schulden werden kwijtgescholden, slaven werden vrijgelaten en verkochte landerijen terugkeerden naar hun oorspronkelijke eigenaren (Lev. 25:8–13). Jones leest dit als een profetisch patroon dat de gehele heilsgeschiedenis doortrekt:

“De wet van het Jubeljaar is de basis voor vergeving en genade. Het is de instelling en het doel van de wet zelf. Het bezit een climax van de aardse geschiedenis en een compleet einde van de heerschappij van duisternis en zonde.”

Centraal in dit kader staat de figuur van de losser — de naaste bloedverwant die de plicht heeft een verarmde of tot slaafgemaakte familielid vrij te kopen. Het is vanuit deze juridische categorie dat Jones de betekenis van de incarnatie en de verzoenende dood van Christus uitlegt.


De Incarnatie: Het Recht op Verlossing

Waarom moest de Zoon van God mens worden? Jones geeft hierop een antwoord dat zijn wortels heeft in de Hebreeuwse losserwet. Alleen een naaste bloedverwant — niet een vriend, en zeker niet een engel — heeft het juridische recht om iemand vrij te kopen:

“Jezus kwam naar de aarde om Zijn mensen te verlossen, af te kopen (Luk. 1:68). Hij kwam niet als engel, maar als een mens, specifiek uit het geslacht van Abraham. Hij deed dit om volgens de wet het recht te hebben om verlossing teweeg te brengen. Als Hij als engel zou zijn gekomen, zou Hij volgens de wet alleen een VRIEND zijn van zondaren, die door de wet geen recht zou hebben op verlossing.”

Jones grondvest dit argument op Hebreeën 2:16–17:

“Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden.”

De incarnatie is bij Jones geen louter pedagogische of solidariteitsdaad, maar een juridische noodzaak: Christus moest van vlees en bloed zijn om het recht op verlossing rechtsgeldig te kunnen uitoefenen:

“Hieruit kunnen we concluderen dat Jezus geboren is van vlees en bloed om de gehele wereld rechtmatig te kunnen verlossen.”


Verzoening: Het Bloed als Prijs voor de Schepping

De dood van Christus aan het kruis is voor Jones de betaling van de losprijs die de Jubeljaarwet vereist. Cruciaal is de reikwijdte van deze verzoening. Jones beroept zich op 1 Johannes 2:2:

“Op elk niveau verkrijgt het Jubeljaar zijn kracht door het bloed van Jezus Christus aan het kruis: ‘Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.‘”

En op 2 Korintiërs 5:19:

“Ons is de bediening van verzoening gegeven met de boodschap van het goede nieuws voor de wereld. Het is NIET het slechte nieuws van eindeloze kwelling en verdoemenis, maar het goede nieuws dat God de wereld met Zich heeft verzoend door Christus, die de prijs heeft betaald voor hun vrijlating en redding.”

De verzoenende kracht van het bloed van Christus is dus voor Jones kosmisch van omvang — niet beperkt tot de uitverkorenen. Dit volgt logisch uit zijn losserkader: een losser die de volle prijs betaalt heeft recht op de volledige lossing — niet slechts op een deel ervan.


Christus als Tweede Adam

Een tweede christologische categorie is de Paulinische tegenstelling van Adam en Christus (1 Kor. 15:22–28). Wie in Adam stierf, zal in Christus levend worden gemaakt — universeel, hoewel niet tegelijk:

“Net zoals in Adam de hele mensheid stierf zo zal in Christus, de Tweede Adam, de hele mensheid levend gemaakt worden –– maar niet allemaal tegelijk. Sommigen zullen levend gemaakt worden bij de eerste opstanding, anderen bij de algemene opstanding, maar alle anderen bij de grote Jubeljaar van de Schepping.”

Jones verbindt dit met Johannes 1:3: door de Logos is alles geschapen, en door Hem zal alles verzoend worden:

“Door de Logos, het Woord, Jezus Christus, is alles ontstaan (Johannes 1:3), en door Hem zullen alle dingen worden verzoend met Hem. Er zal aan het einde niets buiten zijn heerschappij vallen.”

Het universele herstel is daarmee de logische consequentie van de christologie: als de Tweede Adam dezelfde reikwijdte heeft als de Eerste Adam, omvat zijn herstellende werk alle nakomelingen van Adam.


Het Jubeljaar van de Schepping: Eschatologie en Christologie

De eschatologische horizon is het Jubeljaar van de Schepping — het moment waarop alle schuld definitief wordt kwijtgescholden. Dit jubeljaar is niet los te denken van Christus:

“Wij zijn Zijn broeders. Om deze reden eist de wet dat Jezus Christus alles (ver)lost dat verloren was in Adam. De enige relevante vraag is of Jezus Christus dit ook werkelijk heeft gedaan. Ik geloof van wel, omdat het bloed nooit zijn kracht verliest.”

Het einde van de geschiedenis is het moment waarop Christus een voltooid Koninkrijk aan de Vader aanbiedt:

“Wanneer alle mensen Christus als Verlosser en Koning hebben aangenomen, zal Hij een volmaakt en voltooid Koninkrijk aan Zijn Vader voorstellen.”

Dan zal de belofte van Openbaring 5:13 in vervulling gaan:

“Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.‘”


Theologische Plaatsbepaling

Jones’ christologie vertoont verwantschap met de patristische Christus Victor-traditie (Irenaeus, Origenes), maar onderscheidt zich door de nadruk op de juridische dimensie van de losserwet. Christus is niet primair de overwinnaar die de duivel verslaat, maar de Naaste Bloedverwant die het wettelijke recht uitoefent om de verloren erfenis van God terug te kopen. Dit juridische kader fundeert tegelijk een universalistische soteriologie: de losserwet kent geen grens aan het aantal mensen dat vrijgekocht kan worden, en het Jubeljaar kent geen uitzondering:

“Met andere woorden, niemand kan zo een grote zondaar zijn dat hij niet vrijgemaakt kan worden in het Jubeljaar. Niemand kan zoveel schulden op zich laden waardoor hij niet vrij gemaakt kan worden in het Jubeljaar.”


Conclusie

Voor Stephen Jones is Christus de Jubileumsverlosser bij uitstek: Hij werd mens om het wettelijke recht op verlossing te verkrijgen; Hij stierf om de losprijs te betalen voor de zonden van de hele wereld; Hij stond op als de Tweede Adam wiens herstel even universeel is als de val van de Eerste Adam; en Hij zal terugkomen om een Koninkrijk aan de Vader te presenteren waarin alle dingen verzoend zijn. De wet van het Jubeljaar is daarmee niet slechts een Bijbels achtergronddecor, maar het juridisch fundament van de gehele christologie.


Bronvermelding: Dr. Stephen E. Jones, Het Jubeljaar van de Schepping (vertaling van Creation’s Jubilee*, 5e Engelse editie 2000), vertaald door Remmer Remmers van Berea-Studies. Alle citaten zijn verbatim overgenomen uit de Nederlandse vertaling.*